De schurende stad - Beter én Slechter

Gepubliceerd op 19 juni 2025 om 12:34

We leven in een tijd die zich moeilijk in één zin laat vangen. Cijfers over gezondheid, welvaart en levensverwachting wijzen al decennia dezelfde positieve kant op, en toch voelt onze tijd voor veel mensen aan als een aaneenschakeling van crises. Als stadsfilosoof loop ik al langer met die spanning rond, en de vraag die me blijft bezighouden is wat ze betekent voor hoe we samenleven, en vooral voor hoe we de ruimte inrichten waarin dat samenleven moet gebeuren.

Twee rijtjes naast elkaar maken het concreet.

Beter:

  • We leven langer en blijven relatief gezond.
  • We hebben overvloedig toegang tot voedsel en goederen.
  • De kwaliteit van producten en diensten is hoog.
  • Er bloeien voortdurend nieuwe ideeën en innovaties op.

Slechter:

  • Systemen als financiële markten en onze democratie lijken vast te lopen.
  • De aarde en onze leefomgeving raken uitgeput en staan onder enorme druk.
  • Samenleven wordt uitdagender, met toenemende conflicten en oorlogen.

Wie deze twee rijtjes naast elkaar legt, ontkomt niet aan de vraag hoe ze tegelijk waar kunnen zijn.

Filosofische duiding: vijf kernpunten

1. Vooruitgang als oppervlakkige winst

Steven Pinker laat in Enlightenment Now (2018) overtuigend zien dat de mensheid op vrijwel elk meetbaar front vooruitgang boekt: gezondheid, onderwijs, armoedebestrijding. Bruno Latour zet daar in Down to Earth (2018, als Waar kunnen we landen in het Nederlands verschenen) een ongemakkelijke vraag tegenover: tegen welke prijs is die vooruitgang geboekt, en wie of wat betaalt die prijs eigenlijk. We stijgen op met het vliegtuig van de vooruitgang, terwijl de aarde onder ons langzaam verkruimelt. Beide claims zijn met cijfers te onderbouwen, en dat is precies het ongemakkelijke eraan: vooruitgang en uitputting vinden in dezelfde beweging plaats.

2. Het comfort van vervreemding

De overvloed aan spullen en informatie geeft ons vrijheid, en tegelijk voedt ze wat Zygmunt Bauman "liquid modernity" noemde (2000): een vloeibare samenleving waarin alles flexibel is geworden, behalve onze bestaansonzekerheid. We hebben meer keuze dan ooit, en juist daardoor weten we vaak minder goed waar we bij horen.

3. Democratie onder druk door complexiteit

Filosofen als Chantal Mouffe pleiten voor een "agonistische democratie", waarin conflict niet wordt weggepoetst maar wordt erkend als wezenlijk onderdeel van het politieke spel. In de praktijk krijgen we vaak het tegenovergestelde: technocratie die conflict onzichtbaar probeert te maken achter onpersoonlijke systemen, en populisme dat het juist uitvergroot tot emotionele simplificatie. De instituties zelf kunnen de complexiteit van deze tijd nauwelijks nog aan.

4. Ecologische grens bereikt

De Club van Rome waarschuwde al in 1972 voor de 'grenzen aan de groei'. Wat sindsdien is veranderd, is dat denkers als Bruno Latour en Timothy Morton (in Hyperobjects, 2013) erop wijzen dat klimaatverandering niet langer iets is dat buiten ons staat en waartegen we ons kunnen wapenen. Het is een gegeven geworden waarbinnen we leven, iets waar we middenin zitten in plaats van tegenover.

5. Oorlog en polarisatie als symptoom

Het groeiend onvermogen om samen te leven, op microniveau is te zien in de polarisatie tussen buren en zelfs familieleden en op macroniveau in oorlogen en vluchtelingenstromen. Dit is geen toeval: het speelt al veel langer en is als trend te zien. Het is een symptoom van het uiteenvallen van een gedeeld verhaal of horizon. Hannah Arendt benadrukte in The Human Condition (1958) al hoe wezenlijk een levendige publieke sfeer is voor gedeelde betekenis, en die publieke sfeer raakt in onze tijd steeds verder versnipperd.

Kortom

We leven in een tijd waarin 'beter dan ooit' onvoldoende oriëntatie biedt, en 'slechter dan ooit' ons dreigt te verlammen. Die paradox is misschien niet op te lossen, wel te verdragen, als we de moed hebben om complexe verhalen te blijven vertellen en gemeenschappen te bouwen rond betekenis in plaats van enkel efficiëntie.

Vier manieren voor een gezonde omgang

Die verdraagzaamheid blijft abstract zolang ze niet landt in het dagelijks leven van mensen in de stad. Wat betekent het concreet, voor wie in een drukke straat woont of elke dag over hetzelfde plein loopt, om die paradox vol te houden in plaats van te vluchten in een makkelijk gelijk?

Het antwoord zit niet in een groot plan, het zit in kleine, herhaalbare gewoontes in hoe we met elkaar omgaan, hoe we onze omgeving inrichten en hoe we conflicten een plek geven in plaats van ze weg te ontwerpen. Vier van die gewoontes op een rij, waar je zelf ook mee kunt oefenen en jezelf ook verder in kunt bekwamen:

1. Oefen het verdragen van complexiteit

In gesprekken, op het werk of online helpt het om ruimte te laten voor twijfel, voor paradoxen en voor mensen die er anders over denken. Stel in plaats van meteen je mening te geven eerst een vraag, bijvoorbeeld wat er voor de ander achter een gedachte zit. Zo'n vraag geeft ruimte voor nuance en voorkomt dat een gesprek meteen in twee kampen uiteenvalt.

2. Bouw of zoek gemeenschappen met betekenis

Sluit je aan bij lokale initiatieven die draaien om zorg, ritme, aandacht of nabijheid. Dat kan religieus zijn, het kan net zo goed een voedselcoöperatie, een leesgroep of een buurtmoestuin zijn. In veel steden ontstaan zulke commons-initiatieven, waar mensen samen spullen delen of zorg organiseren. Minder consumentisme, meer verbondenheid.

3. Herstel je relatie met de leefomgeving

Zorg voor een stuk aarde, hoe klein ook, en maak het concreet. Dat brengt niet alleen ecologische betrokkenheid met zich mee, maar ook rust en ritme. Zelfs een geveltuin of het helpen onderhouden van een park kan je wereldbeeld verschuiven, van probleem-consument naar zorgende deelnemer.

4. Vertel verhalen die verder gaan dan winst en verlies

Niet elk gesprek hoeft over vooruitgang of crisis te gaan. Deel ook verhalen van verwondering, schoonheid of morele keuzes, een kunstwerk, een wandeling, een verhaal over iets wat je raakte. Zulke verhalen voeden het besef dat we meer zijn dan data of economie.

Ruimtelijke inrichtingsprincipes voor steden

Deze gewoontes ontstaan niet in het luchtledige, ze worden mede mogelijk gemaakt of juist tegengewerkt door de fysieke stad zelf. Een plein zonder bankjes nodigt niet uit tot een gesprek, en een straat die alleen is ingericht op doorstroming laat weinig ruimte voor het toevallige contact waar verdraagzaamheid mee begint. Willen we als samenleving beter leren omgaan met deze paradoxale tijd, dan moet ook de ruimte om ons heen daarop worden ingericht. Vijf principes die daarbij helpen.

1. Maak ruimte voor informele ontmoeting

Niet alles hoeft geprogrammeerd te zijn. Ontmoeting gebeurt vaak het best op halfpublieke plekken: brede stoepen, stoepbankjes, portieken, stadspleintjes met schaduw en water. In Barcelona is de "superilla" (superblok) daar een sprekend voorbeeld van, een stadsblok waar autoverkeer is teruggedrongen en straten zijn veranderd in leefruimtes met banken, planten en spelende kinderen.

2. Vertraag de stad waar dat kan

In een tijd van snelheid hebben we plekken nodig die uitnodigen tot rust, stilte of langzaam bewegen. Stilteplekken in parken of binnenhoven, of langzaam bewegende wandelassen tussen wijken, helpen bewoners zich opnieuw te verbinden met hun omgeving en met zichzelf.

3. Ontwerp voor gedeeld eigenaarschap

Ruimte waar mensen samen voor zorgen, leidt tot een sterker sociaal weefsel. Denk aan collectieve tuinen, deelplekken, herbruikbare paviljoens. In Rotterdam experimenteert een project als ZoHo met co-creatie van buurtplekken die bewoners zelf mogen invullen en beheren.

4. Laat plekken verhalen vertellen

Gebruik kunst, geschiedenis en materiaalkeuze om plekken betekenisvol te maken, niet als decoratie maar om te herinneren, te confronteren of te inspireren. Het Nationaal Holocaust Namenmonument in Amsterdam van Daniel Libeskind is daar een indringend voorbeeld van, en op kleinere schaal doen tegels met buurtverhalen of gevels met zinnen van bewoners hetzelfde werk.

5. Ontwerp vanuit zorg in plaats van controle

In plaats van veiligheid te zoeken in overzicht, met strakke pleinen en toezichtcamera's, kun je ook ontwerpen voor vertrouwen en nabijheid. Kleinschalige hofjes of trapstraten waar bewoners zicht op elkaar hebben, zijn plekken waar je je kinderen durft te laten spelen.

Schets 1: Ruimte voor ontmoeting, vertraging en eigenaarschap

Deze voorbeeldschets verbeeldt een stadsplek waar informele ontmoeting, rust en gedeeld eigenaarschap samenkomen. De nadruk ligt op een autoluwe omgeving waarin bewoners ruimte vinden om te zitten, te spelen, te tuinieren en met elkaar in gesprek te gaan. De schaal is klein, de sfeer is open.

wat je op de tekening ziet:

  • Bankjes onder bomen → uitnodiging tot gesprek

  • Verhoogde plantenbakken → collectief beheer, vergroening

  • Brede wandelpaden → vertraging en ontmoeting

  • Kleine geveldetails → plekgebonden verhalen

  • Kinderen spelen vrij → veilige, gedeelde leefruimte

Gezonde interactie: vijf concrete condities

Een plein met bankjes of een straat zonder doorgaand verkeer is nog geen garantie dat mensen elkaar daar ook gezond ontmoeten. Dezelfde ruimte kan uitnodigen tot een praatje of juist tot wrijving die verkeerd uitpakt, afhankelijk van een paar concrete voorwaarden. Waar de vorige paragraaf ging over de vorm van de stad, gaat het hier om wat er op die plekken tussen mensen moet kloppen, wil de schuring iets opleveren in plaats van iets vernielen.

1. Zichtbaarheid en nabijheid zonder overvloed

Jane Jacobs noemde dit 'ogen op straat': mensen moeten elkaar kunnen zien en horen zonder in elkaars privéleven te staan. Stoepen die breed genoeg zijn voor een praatje, ramen op ooghoogte, portieken waar je kunt zitten, ze maken contact mogelijk zonder het af te dwingen.

2. Ruimtelijke overlapping met duidelijke grenzen

Plekken waar functies overlappen, spelen, zitten, wandelen, nodigen uit tot interactie, mits er wel duidelijke informele regels gelden. Een plein waar kinderen kunnen spelen maar waar ook ruimte is voor ouderen of een markt, werkt het best met subtiele zones: banken onder bomen, randen om op te zitten, een licht hoogteverschil.

3. Sociale mixtuur in ritme en programma

Laat niet één groep of functie domineren. Diversiteit van gebruikers, in tijd en in type, voorkomt claimgedrag. Een buurthuis dat overdag ouderen ontvangt, 's avonds jongerenclubs en in het weekend buurtmaaltijden organiseert, doet precies dat. Of een plein dat 's ochtends markt is en 's middags speelplek.

4. Nodig uit tot traagheid en ontmoeting

Snelle verplaatsing, met de auto, de scooter, in de haast, werkt escalatie in de hand. Vertraagde ruimte nodigt uit tot afstemmen en geduld. Autoluwe straten en shared space met natuurlijke drempels, zoals bomen, kunst of bochten, zorgen voor ander gedrag: mensen kijken elkaar weer aan.

5. Achtervang en bemiddeling dichtbij

Conflicten zijn niet erg, zolang er een laagdrempelige manier is om ze te de-escaleren. De aanwezigheid van buurtbeheerders, betrokken ondernemers of buurtkamers waar je verhaal gehoord wordt, voorkomt escalatie en vergroot eigenaarschap.

Schets 2: Schurende stad met sociale balans en nabijheid

In deze voorbeeldschets zie je een buurtplein met meerdere gebruikslagen: spelen, ontmoeten, wandelen en zorg. Door functies slim te mengen en zones aan te brengen, ontstaat een ruimte waarin verschil mag bestaan zonder conflict. Zichtbaarheid, nabijheid en informele bemiddeling staan centraal.

 

Legenda:

  • Speelplein → ruimte voor kinderen, met zicht vanuit het plein

  • Tafels en banken → gedeelde ruimte voor gesprekken en maaltijden

  • Buurtgebouw → plek voor dialoog, opvang en ontmoeting

  • Fietsers & wandelaars → vertraagd, veilig verkeer

  • Bomen en groen → natuurlijke grenzen, rust en schaduw

Slotgedachte...

"Aandacht is de zeldzaamste en zuiverste vorm van vrijgevigheid," schreef Simone Weil. Misschien begint een gezonde omgang met deze paradoxale tijd wel gewoon met aandacht.

Steden hebben het vermogen om voor iedereen iets te bieden, maar alleen wanneer ze ook door iedereen worden gemaakt. En dat is meteen de knoop waar deze blog in blijft steken: wie bepaalt eigenlijk waar de wrijving in de stad mag zitten, en wie ontwerpt vanuit zorg terwijl een ander diezelfde straat vooral als controle ervaart. Dat spanningsveld tussen ontwerpen vanuit zorg en de vraag wie daarover mag beslissen, blijft een boeiend thema dat verdere verkenning verdient.

De schetsen bij dit stuk

Bij deze blog horen twee schetsen. De eerste laat ruimte zien voor ontmoeting, vertraging en eigenaarschap: bankjes onder bomen die uitnodigen tot een gesprek, verhoogde plantenbakken voor collectief beheer en vergroening, brede wandelpaden die vertraging en ontmoeting stimuleren, kleine geveldetails die plekgebonden verhalen vertellen, en kinderen die vrij spelen in een veilige, gedeelde leefruimte.

De tweede schets toont een schurende stad met sociale balans en nabijheid: een speelplein met zicht vanaf het plein zelf, tafels en banken als gedeelde ruimte voor gesprekken en maaltijden, een buurtgebouw als plek voor dialoog, opvang en ontmoeting, fietsers en wandelaars in vertraagd en veilig verkeer, en bomen en groen als natuurlijke grenzen die rust en schaduw bieden.