De stad beweegt als een zwerm

Gepubliceerd op 26 april 2026 om 12:34

In mijn bijdrage aan Agora Magazine, bijna 10 jaar geleden, introduceerde ik het concept van individueel zwermen om stedelijk gedrag beter te begrijpen. In een eerder blog dit jaar heb ik dit idee verder uitgewerkt: hoe schijnbaar individuele keuzes onverwacht leiden tot collectieve patronen.

Maar waar komt dit gedrag eigenlijk vandaan? Waarom reageert de ene groep onmiddellijk terwijl een andere achterblijft? En belangrijker nog: wat betekent dit voor de manier waarop wij onze steden ontwerpen?

In deze blog ga ik dieper in op het model zelf en combineer ik de twee perspectieven die de basis vormen van dit model: de adoptietheorie van Rogers en het verdelingsprincipe van Anderson.

Vanuit daar ontwikkelen ga ik door op mijn eigen model, met als basis: willen × kunnen. Daarbij leg ik de link leg naar gedrag en ruimtelijke ontwikkeling in steden. Samen bieden deze inzichten een praktische lens om stedelijke veranderingen te analyseren.

Model van stedelijk gedrag: hoe willen en kunnen samen bepalen hoe innovaties zich door de stad verspreiden

Waarom niet iedereen tegelijk beweegt

Volgens Everett Rogers verspreiden innovaties zich niet gelijkmatig, maar via sociale netwerken. Een kleine groep neemt het initiatief, en anderen volgen... soms snel, soms pas veel later. Deze verspreiding is geen toeval; het werkt grotendeels als een wetmatigheid.

In stedelijke gebieden is dit goed zichtbaar. Denk aan de eerste elektrische auto’s, deelauto’s, thuiswerkers of zonnepanelen op daken en thuisbatterijen: zij vormen de voorlopers van verandering. Het zijn niet zo zeer de maatregelen zelf die het verschil maken, maar de invloed die mensen met hun gedrag op elkaar uitoefenen.

Dit onderliggende stedelijke gedrag, wat ik individueel zwermen noem, onthult dat ons gedrag ogenschijnlijk individueel is, maar in feite relationeel. We observeren elkaar, spiegelen ons aan anderen en laten ons meeslepen... vaak zonder dat we ons daarvan bewust zijn.

De paradox van stedelijke ontwikkeling is duidelijk: we plannen vaak voor "iedereen tegelijk", terwijl veranderingen juist voortkomen uit verschillen in tempo.

Hoe innovaties zich verspreiden in de stad: van voorlopers tot massa, zichtbaar als een normale verdeling in gedrag

 

(je kan op afbeeldingen in blogs klikken om ze groter te maken)

Massa als motor, met aandacht voor individualiteit

Rogers onthult wanneer mensen in beweging komen, terwijl Chris Anderson laat zien hoe ze zijn verdeeld. In veel systemen geldt een 80/20-verhouding: een relatief kleine groep bepaalt de koers, terwijl de meerderheid volgt... of niet. Deze verhouding sluit aan bij het Pareto-principe, maar Anderson benadert het vanuit een ander perspectief. 

Binnen stedelijke ontwikkeling wordt die 80% vaak gezien als traag of behoudend. Maar laten we eens omdenken: juist deze groep maakt snelheid mogelijk. Voor hen zijn herkenbare woningen, logische mobiliteit en toegankelijke voorzieningen essentieel.

Dit biedt een belangrijke ontwerprichtlijn: durf te kiezen voor standaardisering. Niet als beperking, maar als motor voor efficiëntie. De naoorlogse woningbouw toonde aan dat schaalvergroting en herhaling leiden tot enorme productiecapaciteit. De vraag is niet of we moeten standaardiseren, maar hoe we dat slim aanpakken.

Daarnaast is die andere 20% van cruciaal belang. Dit is geen marginale groep, maar betreft één op de vijf mensen. Denk aan hoe Spotify functioneert: een brede basis voor de massa, gecombineerd met bijna eindeloze variaties voor specifieke voorkeuren.

De ruimtelijke implicatie hiervan voor mij is: combineer massa met maatwerk. Versnel dankzij het eerste, en onderscheid jezelf met het tweede. Betrek beide groepen in het ruimtelijke ontwerp.

Massa en maatwerk in de stad: hoe 80% standaard en 20% diversiteit samen innovatie en snelheid mogelijk maken

(je kan op afbeeldingen in blogs klikken om ze groter te maken)

Willen × kunnen – een model voor stedelijke ontwikkeling

In mijn model voor Individueel Zwermen heb ik beiden theorieën samengebracht en gekoppeld aan de gedragsindicatoren van "willen en kunnen". Wanneer we de denkwijzen van Rogers en Anderson combineren, resulteert dit in een krachtige vraag: zijn mensen bereid om te veranderen en hebben ze de capaciteiten om dat te doen?

Deze benadering levert vier groepen op:

  • Voorlopers (willen en kunnen)
  • Volgers (willen, maar kunnen nog niet)
  • Twijfelaars (kunnen wel, maar willen nog niet)
  • Weigeraars (willen en kunnen niet)

Om innovaties en gedragsverandering succesvol te laten plaatsvinden, moet ongeveer 20% van de mensen deze nieuwe gedragingen omarmen. Deze veronderstelling is gebaseerd op het Pareto-principe. Als 1 op de 5 mensen in jouw omgeving iets doet, ga je zelf overwegen of je meedoet of niet.

De groep van voorlopers is vaak te klein, waardoor de echte sleutel tot gedragsverandering ligt in de twee tussenliggende groepen.

  • Volgers vormen de ruimtelijke uitdaging: zij willen veranderen, maar worden beperkt door infrastructuur, aanbod of prijs. Denk bijvoorbeeld aan mensen die graag willen fietsen, maar geen veilige route vinden, of aan degenen die kleiner willen wonen, maar geen geschikt appartement kunnen vinden.
  • Twijfelaars vertegenwoordigen de culturele uitdaging: zij hebben de capaciteiten om te veranderen, maar missen de motivatie. Hier gaat het om vertrouwen, gewoonten en sociale normen. Waarom zou je de auto laten staan als iedereen om je heen blijft rijden?

Dit is een cruciaal punt: gedragsverandering is zelden alleen een kwestie van overtuigen. Het vereist een samenspel van het creëren van mogelijkheden voor de groep volgers en het overbrengen van 'het juiste verhaal' aan de groep twijfelaars.

Model van individueel zwermen: hoe willen en kunnen samen vier groepen vormen en stedelijke gedragsverandering sturen

 

(je kan op afbeeldingen in blogs klikken om ze groter te maken)

Stedelijk ontwerpen voor alle groepen tegelijk

In de praktijk richten we ons vaak op één specifieke groep: de koplopers (de innovators) of de weigeraars (de mensen die niet kunnen of willen veranderen). De koplopers zijn al aan de slag, dus waarom zouden we daar nog (veel) extra aandacht aan besteden? Aan de andere kant vergt het werken met de weigeraars veel energie en is vooruitgang moeilijk te realiseren.

Een stad functioneert echter pas optimaal wanneer we alle vier de groepen meenemen. Dit vereist een gedifferentieerde aanpak, waarbij we iedere groep op een andere manier benaderen:

  • Geef voorlopers de ruimte om te experimenteren.
  • Maak het voor volgers praktisch en betaalbaar.
  • Verleid twijfelaars met zichtbare voorbeelden en nieuwe normen.
  • Bied weigeraars vertrouwde opties en keuzevrijheid om niet mee te doen.
    Dit is cruciaal voor inclusiviteit; we willen geen mensen uitsluiten.

Dit begint uiteraard met inzicht: wie zijn de leden van elke groep? Wat drijft hen? En vooral: wat ontbreekt er? De paradox is dat een inclusieve stad niet ontstaat door iedereen op dezelfde manier te behandelen, maar door juist de verschillen serieus te nemen in ons ontwerp.

Stedelijk ontwerp voor alle vier groepen: hoe ruimte en gedrag samenkomen in een inclusieve stad die iedereen bedient

Werken met de zwerm

Wanneer je dit model als perspectief hanteert, verandert ook jouw rol als ontwerper of beleidsmaker. In plaats van je te richten op het eindresultaat, focus je op de voorwaarden die de adoptie van innovaties – zoals nieuwe stedelijke technologieën – en het gedrag van mensen in steden mogelijk maken.

Dit houdt in:

  • Eerst begrijpen, dan ontwerpen
  • Eerst differentiëren, dan opschalen
  • Eerst drempels wegnemen, dan gedrag verwachten

De vraag verschuift van “Hoe krijgen we iedereen mee in één ideale oplossing?” naar “Waar zit de beweging al en hoe kunnen we die versterken?” Daarnaast is het belangrijk om te vragen: "Wat heeft elke groep mensen nodig? Hoe voorkom je dat je veel energie investeert zonder goed inzicht in de motivaties en behoeften van mensen om deel te nemen?"

Mijn overtuiging is dat zodra de zwerm in beweging komt, steden als vanzelf volgen.


De stad als zwerm: hoe gedrag ontstaat wanneer je niet stuurt op resultaat, maar op de condities voor beweging