De wereldwijde energiebehoefte kan theoretisch worden opgewekt op een relatief klein oppervlak (het kan op enkele honderdduizenden km²). Het beeld van een klein stuk woestijn dat de wereld van energie kan voorzien, is bijna geruststellend. Het lijkt een simpele oplossing: we hoeven alleen maar te oogsten wat er al is. En in zekere zin is dat waar: de zon levert ons een overvloed aan energie, veel meer dan we momenteel gebruiken. Gelukkig maar voor alle planten, grassen en bomen.
Helaas is energie geen 'voorraadsysteem', maar een voortdurende stroom. Het moet op het juiste moment en op de juiste plaats beschikbaar zijn. Hier ontstaat de complexiteit: niet zo zeer in de opwekking zelf, maar in de verbinding, distributie en opslag. Het kleine (theoretische) vierkant van zonne-energie kan niet op zich zelf staan... er is een uitgebreid netwerk nodig dat steden, landen en continenten verbindt.
Daar ligt daar de werkelijke uitdaging. Het is niet zozeer dat we tekortschieten in ruimte voor zonne-energie, maar eerder dat we de benodigde opslag- en distributiesystemen onderschatten. De bron kan klein zijn, zeker als we de volledige potentie van zonnepanelen zouden kunnen benutten. Maar de infrastructuur die nodig is om het overal te verspreiden, is dat zeker niet. Zoals in veel stedelijke omgevingen, ligt de uitdaging niet in wat we zien, maar in de (onzichtbare) verbindingen die alles bij elkaar houden.