Sinds 1945 zijn de huizenprijzen in Nederland ongeveer tachtig keer gestegen, terwijl inkomens slechts veertien tot vijftien keer zijn toegenomen. Dit verschil markeert een fundamentele verschuiving: wonen heeft zich steeds meer losgekoppeld van wat mensen verdienen met hun arbeid.
Deze scheefgroei bleef lang verborgen door lage rentes, meer tweeverdieners en vermogensopbouw. Maar de norm verschoof: een huis werd minder een thuis en meer een financieel anker binnen een duurder systeem.
De kloof beïnvloedt levenskeuzes ingrijpend. Huizenbezitters profiteren van stijgende waarden; huurders en late instappers blijven achter. Wonen weerspiegelt zo een groeiende ongelijkheid, niet door ander werk, maar door de veranderende waarde van grond.