Wat online winkelen doet met retail en binnensteden
Het faillissement van Vroom & Dreesmann heeft in veel Nederlandse binnensteden nog steeds een zichtbare impact. Leegstaande warenhuizen, veranderende winkelstraten en een verschuiving in het stedelijke leven zijn daar duidelijke voorbeelden van. Dit is geen toeval.
De opkomst van online winkelen was al jarenlang gaande, maar kreeg een flinke versnelling tijdens de coronapandemie. Veel consumenten die destijds noodgedwongen online gingen winkelen, hebben dit gedrag grotendeels voortgezet. Wat aanvankelijk tijdelijk leek, is structureel geworden.
Deze versnelde verschuiving beïnvloedt niet alleen individuele winkels en ketens, maar ook het retailsysteem als geheel. Dit heeft bovendien gevolgen voor de ruimtelijke inrichting van binnensteden. De stad weerspiegelt hiermee bredere economische en culturele veranderingen.
Van keten naar systeem: als het verdienmodel kantelt
De problemen bij V&D en, recenter, bij ketens zoals Blokker, worden vaak toegeschreven aan managementfouten of een gebrek aan digitalisering. Hoewel dit zeker een rol speelt, ligt er een diepere oorzaak onder de oppervlakte: het traditionele ketenmodel – grootschalig, voorraadgedreven en sterk afhankelijk van fysieke toplocaties – staat haaks op een wereld waarin prijsvergelijking, gemak en levering plaats-onafhankelijk zijn geworden.
Online platforms hebben de traditionele rol van winkels ingrijpend veranderd: winkels zijn niet langer de eerste plek waar een aankoop plaatsvindt, maar slechts één van de mogelijke kanalen. De coronapandemie versnelde deze verschuiving: deuren van winkels sloten, terwijl de logistieke ketens bleven draaien. Hierdoor veranderde niet alleen waar we kopen, maar vooral wat we verwachten van fysieke winkels.
De paradox die hier speelt: retailketens hebben hun succes gebouwd op schaal en standaardisatie, maar juist deze eigenschappen maken hen kwetsbaar in een tijd waarin flexibiliteit en een unieke winkelbeleving essentieel zijn geworden.
Stadsfilosofische vragen hierbij zijn: als efficiëntie en keuze online beter tot hun recht komen, wat rechtvaardigt dan nog de fysieke ruimte die retailwinkels in onze binnensteden innemen? En welke unieke waarde kunnen deze plekken toevoegen aan de moderne consumentervaring die online niet te bieden is?
De binnenstad als spiegel van ons koopgedrag
Wie door de binnensteden loopt, herkent een duidelijk patroon. Winkels die draaiden op doelgerichte aankopen zijn vaak de eersten die verdwijnen. Dat proces is al volop gaande, zoals blijkt uit de leegstand in winkelcentra.
In plaats daarvan nemen functies de ruimte in die niet eenvoudig te digitaliseren zijn: horeca, persoonlijke diensten zoals kappers, tatoeages en piercings, reparaties, zorggerelateerde activiteiten en nicheconcepten zoals vintagewinkels of winkels die zich richten op één specifiek product. De binnenstad transformeert daarmee van een 'winkelmachine' naar een plek om te verblijven.
Wat opvalt, is dat kleding- en schoenenwinkels grotendeels standhouden. De behoefte om te passen, voelen en vergelijken blijft sterk verbonden aan fysieke winkels. Juist op dit vlak behoudt de stad haar unieke toegevoegde waarde.
De conclusie? Niet alle retail verdwijnt. Alleen dat deel van de detailhandel dat geen wezenlijke meerwaarde haalt uit fysieke nabijheid, maakt plaats voor nieuwe functies.
Grote panden, grote vragen: het voormalige warenhuis
Leegstaande warenhuizen vormen een unieke uitdaging. De grote schaal sluit vaak slecht aan bij de behoeften van moderne retail, maar biedt juist kansen voor innovatieve combinaties van functies, zoals wonen, horeca, cultuur, onderwijs en publieke voorzieningen. In grote steden zien we succesvolle transformaties, terwijl middelgrote steden vaak nog worstelen met dit vraagstuk.
Hier wringt het tussen vastgoedlogica en stedelijke logica. Herontwikkeling vereist tijd, investeringen en een bereidheid om te experimenteren. Veel vastgoedeigenaren blijven echter vasthouden aan het traditionele model van voorspelbare retailverhuur. Toch blijkt in de praktijk dat juist monofunctionele winkelpanden het meest kwetsbaar zijn voor leegstand en teloorgang.
De kern van het probleem: We streven naar levendige binnensteden, maar blijven hangen in vastgoedmodellen die zijn gebaseerd op een verouderde winkeleconomie.
Neem bijvoorbeeld mijn eigen woonstad Zwolle: hier heeft de gemeente het imposante voormalige V&D/Hudson’s Bay-pand aangekocht. De plannen zijn gericht op een grootschalige gebiedsontwikkeling die wonen en werken combineert, geheel afgestemd op de historische binnenstad. Voor de korte termijn is de gemeente actief op zoek naar een tijdelijke invulling die de levendigheid van het gebied vergroot. Dit sluit aan bij de schaal en het karakter van de binnenstad, terwijl het ook een aantrekkelijke entree naar de stad creëert.
De stille transformatie van de kleine winkel
Een minstens even ingrijpende, maar minder zichtbare verandering op straatniveau is gaande. De traditionele mix van speciaalzaken maakt steeds vaker plaats voor een nieuw soort diversiteit: minder focus op verkoop, meer nadruk op dienstverlening en identiteit. De binnenstad wordt persoonlijker, maar verliest tegelijkertijd haar universele karakter.
Dit brengt vragen met zich mee over toegankelijkheid en inclusiviteit. Niet iedereen beleeft horeca of lifestyle-diensten op dezelfde manier. Waar kun je nog iets praktisch kopen zonder dat het gepaard gaat met een cappuccino of een conceptuele ervaring?
Dit leidt tot een bredere stadsfilosofische vraag: voor wie creëren we eigenlijk de binnenstad? Voor de bewoners, de bezoekers, of een selecte groep met tijd en besteedbaar inkomen?
Van winkelstad naar verblijfsstad
Onder deze veranderingen ligt een diepgaande transformatie: de binnenstad verschuift van een transactieruimte naar sociale infrastructuur. Waarde wordt steeds minder bepaald door de verkoop per vierkante meter en steeds meer door ontmoeting, tijdsbesteding en betekenis. Deense architect Jan Gehl beschreef dit al treffend in zijn boek 'Cities for People' uit 2013.
Dit vraagt om een fundamenteel andere benadering van gemeenten, vastgoedeigenaren en ontwerpers. Minder focus op winkeloppervlak en meer nadruk op programmering, diversiteit en ritme. De stad als een plek waar je niet alleen komt om te kopen, maar om te zijn.
En hier komen we bij een intrigerende paradox: we treuren om verdwijnende winkels, terwijl we tegelijkertijd verlangen naar binnensteden die meer bieden dan slechts winkelcentra. Durven we onze binnensteden werkelijk te ontwerpen rond het gedrag en de behoeften van vandaag, en daarin te investeren, in plaats van vast te houden aan de verdienmodellen van gisteren?
Ik ben bang dat de focus op korte-termijnwinst nog steeds de overhand zal hebben, waardoor duurzame groei en rendement op de lange termijn in de schaduw blijven staan...
Boeiende blog? Lees dan ook >>