Aanleiding: opkomst humanoïde robots
De nieuwste video's van humanoïde robots die wandelen, tillen en samenwerken met mensen voelen anders aan dan eerdere technologische ontwikkelingen. Niet omdat robots op zichzelf nieuw zijn, maar omdat deze robots een lichaam hebben. Ze bewegen zich door ruimtes op een manier die opvallend veel lijkt op hoe wij dat doen: rechtop, met armen die vrij bewegen en in een constante, vloeiende balans. Dit roept niet alleen een gevoel van bewondering en verwondering op, maar schuurt ook op een dieper, bijna ongemakkelijk niveau dat ons aan het denken zet over hun plaats in de wereld.
Deze blog is daarom geen traditioneel technologieverhaal, maar een stadsfilosofisch gedachte-experiment. Wat gebeurt er wanneer technologie niet langer alleen processen automatiseert, maar ook daadwerkelijk aanwezig wordt in onze fysieke realiteit? Wanneer robots zoals deze zich niet meer beperken tot het functioneren achter schermen of binnen afgesloten hekken, maar daadwerkelijk dezelfde ruimtes innemen als wij en op een bijna natuurlijke manier onderdeel lijken te worden van onze dagelijkse omgeving?
Steden zijn hierin bij uitstek gevoelig voor verandering en transformatie. Een stad is namelijk altijd een dynamische spiegel geweest van menselijke arbeid, zorg, creativiteit en ontmoetingen. Het verschijnen van letterlijk nieuwe ‘lichamen’ — die opvallend vergelijkbaar zijn aan de onze — verandert niet alleen wat wij als mensen doen en hoe we handelen, maar beïnvloedt ook op een diepgaande manier hoe we ons tot elkaar verhouden en hoe we ons tot onze stedelijke omgeving positioneren. Het verandert niet alleen de interacties tussen mensen, maar ook hoe we onszelf, onze relaties en de structuren van onze omgeving begrijpen en ervaren.
Hieronder vind je twee video's die ik heb geplaatst naar aanleiding van CES 2026. Er zijn echter nog veel meer interessante video's te vinden op YouTube
Een oude vraag in een nieuwe gedaante
Deze vraag is overigens niet nieuw. Elke technologische revolutie riep dezelfde fundamentele vraag op: wat betekent dit voor ons? De stoommachine, elektriciteit, lopende banden, automatisering: telkens namen apparaten werk uit handen en telkens veranderde de stad mee. Fabrieken groeiden, woonwijken ontstonden, ritmes verschoven.
Wat humanoïde robots onderscheidt, is niet zozeer wat ze doen, maar hoe ze verschijnen. Ze benaderen niet alleen menselijke handelingen, maar ook menselijke vorm. Daarmee raken ze aan iets diepers dan efficiëntie.
De politieke filosoof Hannah Arendt onderscheidt in haar boek The Human Condition (1958) drie kernbegrippen: arbeid (de noodzaak om te overleven), werk (het creëren van iets blijvends) en handelen (samen betekenis geven). Humanoïde robots nemen vooral arbeid en werk van ons over, maar laten het handelen onaangeroerd. Dit roept een prikkelende vraag op: wat blijft er in de stad nog over voor mensen? Met als centrale vraag: hoe kunnen wij, samen met alle levensvormen - inclusief de opkomende AI en robots - blijven zorgen voor een wereld vol betekenis?
Werkgebieden: efficiëntie achter de schermen
In productiehallen, distributiecentra en mogelijk ook horeca lijken humanoïde robots het meest logisch. Ze passen moeiteloos in bestaande omgevingen die ooit voor mensen zijn ontworpen en functioneren daar zonder dat er ingrijpende veranderingen nodig zijn.
Er is geen nieuwe (stedelijke) infrastructuur nodig om ze te integreren in onze werkplekken en stedelijke gebieden. Het enige wat wel verandert, zijn de nieuwe omgangsvormen die we moeten ontwikkelen tussen ons mensen en deze nieuwe deelnemers in de stad, want zij worden nu een deel van onze dagelijkse omgeving.
Stedelijk gezien is dit een stille transformatie die in alle subtiliteit plaatsvindt. De robots zijn er nu ook wel, maar grotendeels uit het zicht, waardoor hun aanwezigheid (nu nog) nauwelijks wordt opgemerkt. Wat vooral zichtbaar wordt, zijn de praktische voordelen die ze met zich meebrengen: snellere levering van producten, lagere kosten voor bedrijven en een oplossing voor het steeds groter wordende probleem van personeelstekorten. Deze veranderingen hebben impact, maar verlopen bijna onzichtbaar.
Toch zit hier een duidelijke paradox die tot nadenken stemt. Waarom kiezen we voor een mensvorm bij deze robots als sociale interactie nauwelijks een rol speelt in hun taken? Misschien is het omdat we arbeid herkenbaar willen houden en een connectie willen behouden met hoe we gewend zijn dat werk eruitziet. Het zou ook kunnen dat we nog niet precies begrijpen hoe we afscheid moeten nemen van het diepgewortelde idee dat werken onlosmakelijk verbonden is met een menselijk lichaam, en dat idee daardoor vooralsnog blijft voortbestaan.
Binnenshuis: autonomie en nabijheid
Robots in huis zijn al jarenlang een gekoesterde droom. Het doet me altijd denken aan Rosie uit de Jetsons. Maar de dynamiek verandert fundamenteel zodra we stofzuigrobots en robotmaaiers inruilen voor robots met menselijke bewegingen en interacties.
Hier gaat het niet enkel om het overnemen van taken, maar om iets veel persoonlijkers: nabijheid. Humanoïde robots worden steeds vaker gepositioneerd als hulp bij langer zelfstandig wonen, zeker nu we te maken hebben met een vergrijzende bevolking en grote personeelstekorten in de zorg.
Dit idee klinkt logisch en humaan. Maar het raakt ook aan een diepere kwestie: zorg is meer dan handelingen verrichten; het draait ook om verbinding en relatie. Een robot kan ondersteunen, maar kan geen echte wederkerigheid bieden. Hoe gaan mensen die hulp nodig hebben hiermee om? En vinden sommigen het misschien juist prettig om niet afhankelijk te zijn van een ander mens?
De filosoof Martin Heidegger beschreef in zijn werk Sein und Zeit (1927) hoe technologie zo vanzelfsprekend kan worden dat we haar aanwezigheid nauwelijks nog opmerken (Zuhandenheit). Juist op dat moment beïnvloedt technologie ons dagelijks leven het meest. De vraag is dan niet of robots ons helpen, maar wat ze vervangen.
Daarnaast brengt de opkomst van humanoïde robots een wezenlijke ethische vraag met zich mee: hoe zorgen we ervoor dat deze technologie onze menselijke waarden en normen respecteert? Bij het ontwerp en gebruik van dit soort robots moeten we aspecten zoals privacy, autonomie en empathie zorgvuldig meenemen. Alleen dan kunnen we zorgen dat machines niet alleen functioneel zijn, maar ook bijdragen aan een maatschappij waarin menselijke waardigheid centraal blijft staan.
Op straat: nieuwe gebruikers
En dan de openbare ruimte: de ultieme test voor humanoïde robots. Straten, pleinen en parken zijn geen puur functionele systemen, maar gedeelde sociale ruimtes. Dit zijn plekken waar vreemden elkaar ontmoeten, waar ongeschreven regels, ritmes en verwachtingen het samenspel bepalen.
Als in deze ruimte humanoïde robots naast mensen bewegen, hoeven we daar in stedelijk ontwerp en beleid wellicht minder rekening mee te houden dan met robots en drones die specifieke taken uitvoeren, zoals het beheren van de openbare ruimte, het bezorgen van pakketten of het functioneren als autonome taxi's.
De gerenommeerde stedenbouwkundige Jan Gehl benadrukte in zijn boek Cities for People dat steden ontworpen zijn op menselijke schaal, gericht op elementen zoals oogcontact, ritme en kwetsbaarheid. Hoewel een humanoïde robot zich wellicht correct kan gedragen, draagt deze als actor geen verantwoordelijkheid, voelt geen schaamte en kent geen morele afwegingen.
De cruciale vraag is dan: willen we een stad die uitsluitend efficiënt functioneert, of een stad die ook menselijk blijft? Misschien is de stad niet zomaar een slachtoffer van technologie, maar juist een filter voor sociale interactie. Niet alles wat technisch mogelijk is, hoeft ook daadwerkelijk zichtbaar te worden in onze leefomgeving.
Slotgedachte
De opkomst van humanoïde robots daagt ons niet uit om snelle antwoorden te vinden, maar om betere en diepere vragen te stellen. Ze brengen scherp in beeld wat we écht belangrijk vinden in werk, zorg en menselijke interactie. Niet omdat zij zelf mens worden, maar omdat ze ons confronteren met wat wij als mens zijn geworden. Omdat de ontwikkeling van dit type robots snel lijkt te gaan, is het belangrijk om hier nú al over na te denken. Wat betekent hun komst voor onze steden en onze rol binnen deze stedelijke systemen?