Blik vooruit op de stad van 2035: geen voorspelling, maar een poging om richting te geven in een dynamische en veranderende wereld. Vijf blijvende trends die – naar mijn inschatting – de ruimtelijke ontwikkeling van Nederlandse steden zullen vormgeven.
Vooruitkijken met voorbehoud
Tien jaar vooruitkijken is geen voorspellen, maar een bewuste oefening in inschatten vanuit onzekerheid. Wie terugkijkt op 2015-2025 ziet hoe vaak ontwikkelingen anders uitpakten dan gedacht, niet omdat de analyses verkeerd waren, maar omdat condities veranderden. Geopolitieke spanningen, energieprijzen, covid, klimaatimpact en financiële schokken bleken geen achtergrond, maar actieve spelers in de ruimtelijke ontwikkeling van steden.
Ook deze vooruitblik richting 2035 is daarom nadrukkelijk onder voorbehoud. Niet als relativering, maar als erkenning dat steden altijd reageren op krachten die deels buiten hun invloed liggen.
Tegelijk is vooruitdenken noodzakelijk. Juist door nu woorden te geven aan mogelijke richtingen, wordt dat onderdeel van de praktijkontwikkeling en wordt het later mogelijk om terug te kijken: welke trends zagen we aankomen. En welke niet?
1. Schaarste verschuift van ruimte naar systemen
In het afgelopen decennium werd schaarste vooral ruimtelijk beleefd: te weinig woningen, te weinig bouwlocaties, te weinig ruimte in de stad. In de komende tien jaar verschuift die schaarste steeds nadrukkelijker naar achterliggende systemen: energie, drinkwater, netcapaciteit, voldoende vakmensen en grondstoffen. De vraag wordt niet langer alleen waar we willen bouwen, maar steeds vaker of nieuwe woon- en werklocaties nog gebouwd en/of kúnnen worden aangesloten.
Dat heeft directe gevolgen voor de ruimtelijke indeling. Energieopwekking, waterwinning, opslag en infrastructuur vereisen letterlijk ruimte – zowel bovengronds als ondergronds. De ondergrond, lange tijd een vanzelfsprekend gegeven in steden, wordt steeds meer een schaars en concurrerend gebied. Hierdoor groeit de stad niet alleen in oppervlakte, maar ook in diepte en complexiteit.
Hier raakt ruimtelijke ordening aan een fundamentelere vraag: wat als economische groei structureel botst met systeemgrenzen? Is er een punt waarop niet-groeien – of gelijk blijven – geen ideologisch standpunt meer is, maar een rationele keuze? Financieel en bestuurlijk is dat ongemakkelijk, omdat veel stedelijke modellen zijn gebaseerd op groei. Maar misschien vraagt deze periode om steden die niet primair optimaliseren op expansie, maar op stabiliteit en veerkracht.
Enkele bronnen hierbij:
- Planbureau voor de Leefomgeving – Leefomgevingskwaliteit Nederland blijft structureel onder druk staan
- Deltares – Water en ondergrond als randvoorwaarde
- BNR – PWC: Nederlandse economie loopt tegen haar grenzen aan (mrt 2025)
- Rekenkamer Amsterdam-Zaanstad – Amsterdam groeit, maar waar ligt de grens? (apr 2025)
2. Bodem en water sturend: erkend principe, weerbarstige praktijk
Het principe 'bodem en water sturend' is inmiddels stevig verankerd in beleid. In theorie betekent dit dat deze systemen leidend zijn bij ruimtelijke keuzes. In de praktijk blijkt het echter vaak een onderhandelbaar uitgangspunt. Zodra woningbouwopgaven, economische druk of mobiliteitsambities groot worden, ontstaat de neiging om uitzonderingen te maken.
Dat maakt klimaatadaptatie tot een paradoxaal thema: iedereen erkent de noodzaak in onze delta, maar zelden krijgt zij daadwerkelijk het laatste woord. Water en bodem sturen, zolang het uitkomt. Daarmee wordt adaptatie vaak een correctielaag achteraf, in plaats van een structurerend principe aan de voorkant.
De kern van het probleem is niet een gebrek aan kennis, maar een botsing tussen lange en korte tijdshorizonten. Bodem en water vragen om denken in generaties; bestuurlijke en maatschappelijke druk werkt op jaren of zelfs maanden. De vraag is of steden het zich nog kunnen permitteren om structureel af te wijken van wat fysiek mogelijk is.
Enkele bronnen hierbij:
3. Nabijheid wordt relatief: de stad én Nederstad
Binnen steden wordt de 15-minutenstad steeds meer een vanzelfsprekend referentiekader. Dagelijkse voorzieningen op loop- en fietsafstand sluiten aan bij gezondheid, leefkwaliteit en sociale samenhang. Dit is minder een modieuze planningstheorie dan een herwaardering van nabijheid in het dagelijks leven.
Tegelijkertijd leven we – in mijn visie – in Nederstad: een fijnmazig netwerk van steden waarin afstanden fysiek kort zijn, maar cultureel vaak als groot worden ervaren. Wat twintig minuten rijden is, voelt voor ons Nederlanders al snel als “ver weg”. Hier ligt een belangrijke opgave voor de komende tien jaar: het combineren van lokale nabijheid met regionale bereikbaarheid.
Een plausibel toekomstbeeld is dat steden zich intern organiseren rond het principe van 15 minuten (te voet en per fiets), terwijl zij extern functioneren binnen een netwerk van ‘stepping stones’: wederzijdse verbindingen van ongeveer een half uur met het openbaar vervoer of de auto.
70-90 minuten reistijd lijkt daarbij een natuurlijke bovengrens te zijn voor het dagelijkse menselijke bewegingsgedrag. Steden worden in dit scenario geen op zichzelf staande eilanden, maar eerder belangrijke knooppunten binnen een groter, onderling verbonden stedelijk systeem.
Enkele bronnen hierbij:
4. Digitalisering: van belofte naar normalisering
De afgelopen jaren werd digitalisering vaak gezien als een disruptieve kracht. Maar de komende tien jaar zal de werkelijke impact waarschijnlijk een andere vorm aannemen: die van normalisering en regulering. Technologieën zoals drones, robotica, sensoren en digitale tweelingen zullen niet langer futuristische uitzonderingen zijn, maar juist een vanzelfsprekend onderdeel worden van stedelijke systemen en ons dagelijks straatbeeld.
De ruimtelijke vraag verschuift van ‘wat is technisch mogelijk?’ naar ‘wat accepteren we daadwerkelijk?’. Daarmee worden andere vragen belangrijk in beleid en ontwerp: Waar mogen drones vliegen? Welke stoepen worden onderdeel van het logistieke domein? Wie beheert stedelijke data, en met welk doel? De stad krijgt niet alleen een extra luchtlaag en datalaag, maar ook een nieuwe, essentiële normatieve discussie.
Hoe slimmer een stad wordt, hoe duidelijker de onderliggende waarden zichtbaar moeten zijn. Efficiëntie alleen is niet genoeg. Juist omdat technologie vaak onzichtbaar opereert, zijn transparante keuzes in regelgeving en ontwerp noodzakelijk. In deze tijden van toenemende geopolitieke spanningen krijgen deze beleidsvragen en ontwerpopgaven een steeds grotere betekenis.
Enkele bronnen hierbij:
5. Ongelijkheid vertaalt zich in 'toegang'
Sociale ongelijkheid manifesteert zich in de stad steeds minder als klassieke armoede, en steeds meer als verschil in toegang. Toegang tot koelte op hete dagen, tot stille plekken, tot betrouwbare energie, tot bereikbare voorzieningen. Ongelijkheid manifesteert zich steeds subtieler in de ruimtelijke structuren van steden, maar wordt tegelijkertijd meer ingebed in de structuur van de samenleving.
Ruimtelijk betekent dit dat kwetsbaarheid zich concentreert in bepaalde lagen van de stad: lager gelegen gebieden, slechter geïsoleerde woningen, wijken met minder groen of minder alternatieven. De stad wordt daarmee geen mozaïek van arm en rijk, maar een gelaagd systeem van meer en minder toegang tot 'betere plekken'.
Aan het eind van de vorige eeuw en het begin van deze eeuw leek dit in Nederland te zijn afgezwakt. Toch lijkt het nu sterker terug te keren in onze steden. Hiermee lijkt ook de 'vooroorlogse' polarisatie weer op te laaien, iets wat steeds vaker zichtbaar en hoorbaar is in de media.
Dit raakt aan het denken van Henri Lefebvre, die sprak over het recht op de stad. Niet alleen het recht om ergens te wonen, maar om daadwerkelijk mee te kunnen doen. De komende tien jaar zal deze vraag steeds ruimtelijker worden: wie mag waar zijn? En onder welke omstandigheden? Volgens mij van groot belang als vraagstuk mee te nemen in beleid en ontwerp van onze steden.
Enkele bronnen hierbij:
Slot – vastgelegd om later te kunnen terugkijken
Wie deze vooruitblik naast de terugblik op 2015-2025 legt, zal onvermijdelijk overlap zien. Dat is geen tekortkoming, maar een teken van continuïteit. Langdurige trends verdwijnen niet; ze verdiepen en verschuiven. Wat verandert, zijn de grenzen waarbinnen steden opereren.
De komende tien jaar lijken minder onbeperkt dan het vorige decennium. Systemen knellen, klimaat dwingt, keuzes worden zichtbaarder. Juist daarom is het waardevol dit nu vast te leggen. Ik ben benieuwd hoe we hier in 2035 op terugkijken. Waren dit inderdaad de bepalende trends voor de ruimtelijke ontwikkeling van onze steden? Of bleek de werkelijkheid opnieuw weerbarstiger, onverwachter – en leerzamer dan gedacht?
Boeiende blog? Lees dan ook >>