Over de herontdekking van de buurtplek
Het artikel van Stadszaken over michi-no-eki in Groningen presenteert een ogenschijnlijk nieuw fenomeen: kleinschalige plekken in de openbare ruimte die sociale buurtbinding versterken. Het idee is sympathiek, de beelden uitnodigend, de ambitie helder.
Wie dieper kijkt naar de ontwikkeling van Nederlandse steden kan zich moeilijk onttrekken aan de vraag: hebben we dit niet eerder meegemaakt? En zo ja, wat heeft er destijds tot de verdwijning geleid, en waarom zien we nu een heropleving?
Toen ontmoeting nog vanzelf sprak (1945–1975)
In het naoorlogse Nederland werd de stad niet alleen opgebouwd uit woningen, wegen en voorzieningen, maar ook uit sociale ankerpunten. Buurthuizen, wijkgebouwen, parochiezalen en clubhuizen maakten vanzelfsprekend deel uit van de wijk. Ze lagen nabij scholen, pleinen en winkels en boden ruimte aan alles wat niet in een strak programma paste: koffie drinken, vergaderen, biljarten, jeugdwerk, cursussen. Ontmoeting was geen beleidsdoel, maar een bijproduct van stedelijke nabijheid.
Deze logica sluit aan bij het denken van Jane Jacobs, die al in 1961 betoogde dat stedelijke vitaliteit ontstaat door dagelijks, informeel gebruik van de publieke ruimte. Door eyes on the street en door plekken waar mensen zonder reden mogen zijn. De naoorlogse wijkplanners begrepen dat intuïtief: sociale infrastructuur hoorde bij wonen.
De stille verdwijning (±1980–2005)
Vanaf de jaren tachtig verdwijnt deze vanzelfsprekendheid vrijwel geruisloos. Dat gebeurde niet omdat buurthuizen leeg stonden, maar door een samenspel van drie ontwikkelingen.
- Ten eerste de neoliberale beleidslogica: welzijnswerk is geprofessionaliseerd, schaalvergroting wordt gezien als efficiënter en vastgoed wordt beschouwd als een kostenpost.
- Ten tweede de functionele scheiding in de ruimtelijke ordening: wonen, werken, zorg en ontmoeting werden gescheiden en kregen elk hun eigen locaties, vaak verder uit elkaar.
- Ten derde de individualisering: sociale netwerken zijn mobiel en digitaal geworden, waardoor ze minder afhankelijk zijn van een specifieke plaats.
Rapporten van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) laten zien hoe collectieve voorzieningen in deze periode onder druk kwamen te staan. En zoals het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in diverse studies beschrijft, verschoof de ruimtelijke ordening van nabijheid naar bereikbaarheid. Het resultaat: de wijk verloor haar publieke binnenruimtes. Ontmoeting verdween niet, maar werd georganiseerd, geprogrammeerd of geoutsourcet. Dit leidde tot een boeiende paradox: door ontmoeting efficiënter te organiseren, hebben we haar spontane vorm juist uitgehold.
Waarom keert het nu terug? (2015–heden)
De heropleving van kleinschalige buurtplekken — zoals de Groningse michi-no-eki — is geen nostalgisch fenomeen, maar een directe reactie op systeemdruk. Vergrijzing, eenzaamheid, mentale belasting, thuiswerken en de toenemende druk op zorg en welzijn brengen in het juiste licht wat lange tijd verborgen bleef: de noodzaak aan laagdrempelige ruimtes waar zonder verplichtingen samenkomen mogelijk is.
Wat deze nieuwe initiatieven bijzonder maakt, is hun bescheiden schaal en benadering. Ze zijn klein, tijdelijk, openbaar toegankelijk en vaak nauwelijks geprogrammeerd. Terwijl ze afwijken van het traditionele buurthuis, raken ze toch de essentie: aanwezigheid zonder verplichting. Deze gedachte sluit aan bij die van Henri Lefebvre, die het recht op de stad beschreef als het recht om ruimte gezamenlijk te creëren... niet als consument, maar als actieve gebruiker.
Dit roept een intrigerende stadsfilosofische vraag op: herstellen we hier sociale nabijheid, of proberen we een complexere systeemcrisis ruimtelijk te repareren?
Oude wijn, nieuwe vorm en schaal
Is dit oude wijn in nieuwe zakken? In zekere zin, ja. De functie is bekend en de behoefte herkenbaar. Wat echter nieuw is, is de vorm , en dat heeft betekenis. Waar naoorlogse buurthuizen vaak permanent, institutioneel en zwaar geprogrammeerd waren, zijn deze paviljoens licht, tijdelijk en experimenteler van aard. Ze weerspiegelen een overheid die minder bindend wil zijn, maar wel wil faciliteren.
Dat brengt echter ook risico's met zich mee. Als deze plekken projectmatig blijven, worden ze symbolisch: aantrekkelijke interventies zonder een structurele basis. Platform31 waarschuwt al langer dat sociale infrastructuur niet alleen kan bestaan uit losse pilots. Ook de Raad voor de Leefomgeving (Rli) benadrukt dat nabijheid een structurele waarde heeft en geen tijdelijk experiment mag zijn.
Voorbij het Experiment
De centrale vraag die hierbij rijst, gaat naar mijn mening niet over de effectiviteit van de michi-no-eki, maar over de durf om er iets mee te doen. Als ontmoeting cruciaal is voor leefbaarheid, zorg, veiligheid en veerkracht, dan is het geen bijkomstigheid, maar een fundamenteel onderdeel van de publieke infrastructuur... net zo essentieel als wegen of riolering.
Misschien ligt de uitdaging niet in het continu ontwikkelen van nieuwe ideeën, maar in het herwaarderen van wat ooit vanzelfsprekend was. Niet terug naar het buurthuis van weleer, maar vooruit naar een stad die sociale nabijheid weer serieus omarmt. Durven we ontmoeting te beschouwen als een basisvoorziening, of blijft nabijheid iets dat slechts tijdelijk en experimenteel kan bestaan?
Boeiende blog? Lees dan ook >>