Iedereen heeft recht op stroom... Sommigen wat meer dan anderen...

Gepubliceerd op 24 mei 2026 om 12:34

Over data, wonen en de stille strijd om het net

Zo'n tien jaar geleden gebruikte ik in mijn lessen over stedelijke ontwikkeling een kaartje. Een simpele visualisatie die liet zien hoeveel stroom datacenters in Nederland verbruikten: grofweg vergelijkbaar met 200.000 huishoudens. Ik gebruikte het om studenten bewust te maken van hun eigen bijdrage... voor elke foto die ze deelden, elk YouTube-filmpje, elk berichtje staat ergens een server te draaien. Niets is gratis in energietermen. Het kaartje deed zijn werk: het kwam binnen bij de studenten.

Eind vorig jaar bleef een NOS-bericht hangen. Ongeveer 45 datacenters gebruiken net zoveel stroom als 1,9 miljoen woningen. Ik dacht meteen terug aan dat kaartje. Het CBS spreekt van bijna 2 miljoen. Van 200.000 naar 2 miljoen in een decennium. Een factor tien.

Dat getal is geen abstractie. Nederland telt 8,4 miljoen huishoudens. Bijna een kwart van de totale woningvoorraad in stroomequivalent... voor infrastructuur die de meeste mensen nooit zien, nooit aanraken en zelden bewust consumeren.

En toch gebruiken we het. Elke dag. We zijn er volledig van afhankelijk geworden, terwijl de infrastructuur die dat mogelijk maakt letterlijk buiten ons blikveld is gebouwd. Ergens bij Middenmeer. Of in de Eemshaven.

Nederland als digitale toegangspoort van Europa: datastromen, energie en de verborgen infrastructuur erachter

Onbewust gebruik en gedrag

Als stadsfilosoof interesseert me die onzichtbaarheid van de moderne wereld. Steden zijn altijd opgebouwd en ontworpen rond wat mensen ten diepste nodig hebben: water, warmte, verbinding en zelfs veiligheid. Denk aan de pomp op het plein, de markt aan de gracht en later de fabriek aan het spoor. Infrastructuur en stad groeiden samen op, waren onlosmakelijk met elkaar verbonden. Je zag duidelijk en zonder enige verwarring waar je van leefde en hoe alles met elkaar in verband stond.

Dat is nu, in deze tijd, heel anders. De digitale infrastructuur die ons dagelijks leven en onze communicatie draagt, heeft zich losgemaakt van de plek waar mensen daadwerkelijk wonen en werken. Deze ontwikkeling gebeurde al met het stroomnet, dat vroeger altijd zichtbaar was in het straatbeeld, maar steeds meer verborgen ondergronds werd.

En dat heeft een nog grotere vlucht genomen met het (mobiele) internet dat onze wereld zozeer verandert. Het nestelt zich nu op industrieterreinen, langs snelwegen, in polders en in andere verlaten gebieden. Onzichtbaar, klimaatgecontroleerd, met hoge hekken eromheen. Maar onzichtbaar betekent absoluut niet zonder ruimtelijke en sociale gevolgen voor de steden en de mensen die daarin leven.

Datacenters gebruiken stroom van bijna 2 miljoen woningen. De onzichtbare energie achter onze digitale stad

(klik op de afbeeldingen om ze te vergroten)

Wie of wat gaat voor?

Als adviseur Wonen bij de provincie Overijssel merk ik dat in de praktijk. En het gaat verder dan woningbouw alleen. De netcongestie raakt inmiddels de volle breedte van de maatschappelijke ruimtevraag.

Een voorbeeld dat me niet loslaat: in Almere krijgt een nieuw datacenter stroomaansluiting, terwijl Hogeschool Windesheim -- die vlak verderop een nieuwe campus bouwt voor 5.000 studenten -- voorlopig geen aansluiting krijgt. De hogeschool was een jaar later met haar aanvraag. Wie het eerst komt, die het eerst maalt. Dat is de regel. Maar is dat de juiste afweging?

Volgens André Faaij van TNO is dit een politieke keuze, geen technische. Over wie wel en niet voorrang moet krijgen, kun je sterk van mening verschillen... maar de huidige praktijk van volgorde van binnenkomst is een rare manier van prioriteiten stellen. Ik ben het daarmee eens.

Want het gaat niet alleen om een hogeschool. Woningbouwprojecten die klaar staan om te starten maar geen netaansluiting krijgen. Bedrijven die verduurzamen willen maar moeten wachten. Scholen, zorginstellingen, maatschappelijke voorzieningen: ze staan allemaal in de file. Terwijl het datacenter in Almere straks evenveel stroom verbruikt als de hele stad.

Netcongestie dwingt tot keuzes: wie krijgt stroom? Woningen, onderwijs, zorg of datacenters?

Moeten we de digitale toegangspoort van Europa blijven?

Dat brengt me bij een vraag die ik als stadsfilosoof moet stellen: waarom eigenlijk hier?

Nederland heeft bewust de rol van digitale poort van Europa opgezocht. De AMS-IX, de centrale ligging, de uitstekende glasvezelinfrastructuur -- dat was beleid, en het heeft banen en investeringen gebracht. Maar we zijn nog steeds het land waar de grote internetknoop de EU binnenkomt. Die positie heeft een prijs, en die prijs wordt steeds zichtbaarder in de ruimtelijke ordening.

De vraag is of we die prijs bewust willen blijven betalen. Er is ruimte elders in Europa. Scandinavië bijvoorbeeld heeft koude lucht voor koeling én groene stroom in overvloed. Toch blijven de hyperscalers massaal kiezen voor Nederland. Omdat latency (vertraging) telt. Data moet snel zijn, en snel betekent: dicht bij de gebruiker. Maar ook: omdat Nederland het hen lang heel makkelijk heeft gemaakt.

Dat kan anders. Niet door datacenters te verbieden... dat zou de digitale economie raken die we als samenleving breed gebruiken. Maar door ze expliciet onderdeel te maken van de ruimtelijke afweging. Door hen te laten meebetalen aan netuitbreiding. Door hen te verplichten om zelf opwek te realiseren in plaats van te leunen op het bestaande net.

De "groene stroom" van datacenters is in dit licht veelzeggend. Formeel correct: ze kopen certificaten, voldoen aan afspraken. Maar die capaciteit is niet meer beschikbaar voor de verduurzaming van bestaande woningen, voor warmtepompen, voor de energietransitie van huishoudens die al jarenlang wachten op een betaalbare oplossing. Groen op papier, maar maatschappelijk niet neutraal.

Nederland als digitale toegangspoort van Europa: hoeveel ruimte en stroom willen we daarvoor blijven gebruiken?

Tijd voor dialoog en (nieuw) beleid

Uiteindelijk is dit een klassieke planningsvraag in een nieuw, beter verfriseerd jasje: wie mag er wonen, werken en leren in Nederland... en wat verdringt wie in deze dynamische context?

Die belangrijke vraag verdient absoluut een helder antwoord. Geen wachtlijst op basis van simpelweg volgorde van binnenkomst. Een weloverwogen, politieke keuze over wat we samen belangrijk vinden in de gedeelde ruimte die we met elkaar gebruiken en leven.

Drie stellingen voor een goede dialoog hierover:

  • Netcapaciteit is een schaars publiek goed. Verdeling op basis van volgorde van aanvraag is geen beleid, het is het ontbreken van beleid.
  • Datacenters horen een maatschappelijke bijdrage te leveren die verder gaat dan groene certificaten: eigen opwek, bijdrage aan netuitbreiding, warmtelevering aan de omgeving.
  • De vraag "waarom Nederland?" verdient een actueel antwoord -- en als dat antwoord alleen nog "historische positie" is, is het tijd om die positie opnieuw te wegen.

Het kaartje dat ik tien jaar geleden in de collegezaal met enthousiasme liet zien, was een echte wake-up call voor studenten. Nu is het hoog tijd dat het ook een dringende wake-up call wordt voor het beleid dat we gezamenlijk ontwikkelen.


Nieuwe keuzes voor stroom en ruimte: welke maatschappelijke functies geven we prioriteit in Nederland?