Een kind van de doorbraken
Ik ben geboren in 1972 en groeide op in een tijd waarin technologie nog tastbaar en zichtbaar was. Het was het tijdperk van de opkomst van de thuiscomputer, het kenmerkende geluid van de inbelmodem via een vaste telefoonlijn en de eerste mobiele telefoons, die meer weg hadden van bouwvakkersradio's dan van de slanke apparaten die we nu kennen. In de jaren tachtig kwam de PC ons huis binnen. Ook ik heb urenlang achter een Commodore 64 gezeten.
In de jaren negentig brak het internet door. Daarna volgde mobiel bellen en vanaf 2008 was er geen ontkomen meer aan: de smartphone, met altijd en overal internet, werd een verlengstuk van onszelf. Ik schreef er eerder al een stadsbeeld over: de stad past sindsdien letterlijk in je broekzak. Het heeft onze manier van werken, leren, communiceren en ontspannen volledig veranderd. Maar ook hoe we ons door de stad verplaatsen en haar beleven, is ingrijpend getransformeerd. Met vele ruimtelijke gevolgen, zoals het verdwijnen van telefooncellen, geldautomaten en leegstaande winkelpanden.
Toch was tot voor kort technologie iets wat wij bestuurden en controleerden. Maar dat lijkt in rap tempo te veranderen. Wat gebeurt er als technologie niet langer door ons wordt bediend, maar ons gaat bedienen of zelfs vervangen? Zoals Marshall McLuhan treffend zei: "We shape our tools, and thereafter our tools shape us."
De stad wordt gebouwd door nieuwe handen: mensen, machines en zelfdenkende systemen
De volgende sprong: van slim naar zelfstandig
Inmiddels zijn we een nieuwe fase binnengetreden. AI-modellen die complexe teksten schrijven of juridische analyses uitvoeren, robots die dansen, rennen en gebouwen kunnen metselen, en systemen die zelfstandig beslissingen nemen.
Neem de indrukwekkende video van Boston Dynamics, die prachtig laat zien hoe ver de ontwikkeling van robots al gevorderd is. Of kijk dichter bij huis: bouwbedrijf Plegt-Vos zet inmiddels een metselrobot in bij de fabrieksmatige productie van woningen. Nog niet humanoid, maar wel al hard aan het werk aan het woningtekort, een kwestie van tijd wat mij betreft voor die stap ook wordt gezet. En ook in de horeca dringt de robot door: op steeds meer plekken in Nederland rijdt een serveerrobot tussen de tafels, gevuld met bestellingen, zonder dat een ober er nog een hand naar hoeft uit te steken. Twee heel verschillende werkvloeren, dezelfde verschuiving: technologie die niet langer alleen ondersteunt, maar meedoet.
Nog een stap verder gaat de logistiek. In de distributiecentra van Bol.com, PostNL en Albert Heijn draaien de magazijnen inmiddels bijna volledig op robots, sommige zelfs als 'dark warehouse': de robots hebben geen licht nodig om te zien, dus blijft het gewoon uit. Precies die ruimtes, enorme, vrijwel mensloze dozen aan de rand van de stad, zijn misschien wel de meest zuivere vorm van wat deze blog beschrijft: gebouwen die niet langer voor mensen zijn ontworpen, maar voor machines die er wonen en werken. Drie heel verschillende werkvloeren, dezelfde verschuiving: technologie die niet langer alleen ondersteunt, maar meedoet.
De impact op de stad is ingrijpend. Drones en robots bouwen straks onze woningen, monitoren onze infrastructuur, reinigen onze straten, vervoeren goederen en bedienen ons aan tafel. En dat alles is mogelijk zonder menselijke tussenkomst. Daarmee verandert niet alleen de fysieke stad, maar ook ons gevoel van controle over die stad.
De mens als passant in een door machines geleide ruimte
Waar wij vroeger het ritme van de stad bepaalden, zijn we nu steeds vaker onderdeel van een systeem dat ons gedrag meet, voorspelt en stuurt. Denk aan algoritmes die verkeersstromen optimaliseren, winkelindelingen die voortdurend op basis van bezoekersdata worden aangepast, of publieke ruimten die via sensoren reageren op onze aanwezigheid.
Bij de Hornbach liep ik laatst een robot tegen het lijf die zelfstandig door de bouwmarkt rijdt om prijskaartjes te scannen en actueel te houden. Vrijwel niemand keek er van op, het leek nu al een gewoon onderdeel van de winkelvloer geworden. In private ruimtes als winkels en horeca raken we blijkbaar vrij snel gewend aan zulke autonome collega's. In de openbare ruimte, op straat en op het plein, is dat nog schaars, maar de vraag is hoe lang dat zo blijft.
Zijn we nog wel vrije stedelingen, als de ruimte om ons heen voortdurend reageert op ons gedrag en ons handelen? Vaak zelfs nog voordat we zelf goed en wel weten wat we willen, wat onze behoeften zijn en welke keuzes we willen maken?
Zoals Shoshana Zuboff beschrijft in haar diepgaande werk over 'surveillance capitalism': data is niet alleen een product, maar ook een krachtig machtsmiddel. De ruimte waarin we wonen, werken en ons dagelijks leven vormgeven, wordt in toenemende mate mede bepaald door die allesomvattende digitale controle.
En daar zit een spanning die ik niet te snel wil oplossen. Aan de ene kant worden we, ikzelf inbegrepen, steeds meer passant in een ruimte die op ons reageert voordat we zelf goed weten wat we willen. Aan de andere kant is het juist ons eigen gedrag, de data die we bewust of onbewust afstaan, die dat systeem voedt en vormgeeft. Zijn we passant of medebepaler? Waarschijnlijk allebei tegelijk, en misschien is precies die dubbelheid waar we scherper over moeten nadenken.
Werk, waarde en fysieke aanwezigheid
Technologie verandert ook de betekenis van arbeid. Dat is altijd zo geweest, maar het krijgt nu weer een versnelde nieuwe impuls. Wat betekent werk als AI en robots steeds meer taken van ons overnemen, van logistiek tot administratie en zelfs ontwerp? En wat betekent dit voor onze fysieke aanwezigheid in de stad? Als werken niet meer locatiegebonden is, waarom zouden we nog in de buurt van kantoorhubs wonen?
Richard Sennett benadrukte op indrukwekkende wijze het belang van fysieke arbeid en vakmanschap in zijn bekende boek De Ambachtsman (The Craftsman). Misschien is dat ook precies wat we steeds meer dreigen te verliezen in onze moderne samenleving: de diepere betekenis van dingen doen met je handen, in de fysieke nabijheid van anderen, en het tastbare gevoel dat daarmee gepaard gaat.
En de vraag is natuurlijk ook, wat mij betreft minstens zo belangrijk, of het nog hetzelfde is als toen Sennett dit schreef in 2008: voor mijn gevoel zijn we inmiddels alweer een stap verder gegaan in deze ontwikkeling.
Terwijl de stad zelf steeds minder fysieke aanwezigheid van haar bewoners lijkt te eisen en zelfs te faciliteren, groeit tegelijkertijd onze behoefte aan betekenisvolle plekken om samen te komen. Een fascinerende paradox.
Het ritme van technologie en de traagheid van de stad
Technologische innovatie versnelt, maar steden, en de mensen die er wonen, zijn traag. Gebouwen blijven decennia of zelfs eeuwen staan. Toch worden ze steeds vaker aangestuurd door software die maandelijks verandert. Die frictie, tussen de snelheid van bits en de traagheid van baksteen, roept nieuwe vragen op over zeggenschap. Wie bepaalt eigenlijk hoe een gebouw functioneert: de architect, de gebruiker of het algoritme?
In de ruimtelijke ordening kennen we hiervoor eigenlijk al een verklarend model: de lagenbenadering. Die onderscheidt de ondergrond (bodem, water), de netwerken (infrastructuur) en de occupatielaag (bebouwing en gebruik), lagen die elk in hun eigen tempo veranderen. De ondergrond verandert nauwelijks binnen een mensenleven, netwerken gaan mee voor decennia, en de occupatielaag verandert sneller, met nieuwe functies, verbouwingen, ander gebruik. Zelf voeg ik daar in een eerdere blog een vierde laag aan toe: de digitale of informatieve laag. Die is nieuw, en ze beweegt sneller dan alle andere lagen samen, updates volgen elkaar in weken, niet in decennia.
Precies daar zit de frictie die deze blog beschrijft. Software, de snelste laag, stuurt in toenemende mate hoe de tragere lagen eronder functioneren: hoe een gebouw wordt gebruikt, hoe een netwerk wordt belast, hoe een plek wordt beleefd. Yuval Harari stelt in Homo Deus dat we op weg zijn naar een wereld waarin data belangrijker is dan menselijke intuïtie. Maar een gebouw is meer dan een datadrager: het is een cultureel ankerpunt, een herinneringsmachine, gebouwd op een ondergrond die zich niets aantrekt van een software-update.
Dat maakt de ethische vraag ook een vraag over de lagen: wie is verantwoordelijk als de snelste laag de tragere gaat sturen? Het antwoord ligt waarschijnlijk niet bij één partij, maar in de manier waarop we die lagen bewust aan elkaar knopen, zodat de digitale laag dienstbaar blijft aan wat ze doorkruist, in plaats van dat de tragere lagen zich naar haar tempo moeten voegen.
Een stad met nieuwe inwoners
Kortom: als we goed kijken, zien we dat de stad zich vult met nieuwe actoren. De metselrobot bij Plegt-Vos, de serveerrobot tussen de tafels, de prijskaartjesrobot bij de Hornbach, de robots in de dark warehouses van Bol.com, PostNL en Albert Heijn, het zijn allemaal vroege bewoners van dezelfde stad, elk actief in hun eigen laag: occupatie, netwerken, of de nieuwe digitale laag erboven.
Niet alleen mensen bevolken de stad, ook algoritmen, drones, sensoren en AI-modellen doen dat. En straks ook humanoid robots, is mijn overtuiging. Ze zijn niet langer gereedschap, maar actieve spelers in het stedelijk ecosysteem. Wat betekent dat voor onze verhouding tot de stad? Hoe verdelen we de ruimte, de macht en de verantwoordelijkheid?
Bruno Latour sprak al van actornetwerken waarin niet alleen mensen, maar ook dingen en systemen invloed uitoefenen. Persoonlijk vind ik het van groot belang dat alle actoren een goede plek krijgen in stedelijke omgevingen.
In de stad van de 21e eeuw krijgen ook de ondergrond, de gebouwde omgeving, materialen, flora, fauna, mensen, robots én de informatieve laag een plek aan tafel. Misschien moeten we niet langer denken in hiërarchieën, maar in gelijkwaardige relaties tussen actoren die allemaal een waardevolle en onmisbare rol hebben in het functioneren, ontwikkelen en voortbestaan van de stad.
Al blijft er één verschil dat niet zomaar oplost: deze actoren bewegen niet allemaal even snel. Een metselrobot verandert zijn gedrag niet van maand tot maand, een algoritme wel. Gelijkwaardigheid tussen actoren betekent dan misschien niet dat ze allemaal hetzelfde tempo krijgen, maar dat we een manier vinden om met dat verschil in tempo om te gaan.
Dat brengt mij tot een slotvraag: Kunnen we steden ontwerpen waarin al deze actoren, mens én niet-mens, gelijkwaardig samenleven, samenwerken en corresponderen, ook als ze zich op wezenlijk verschillende snelheden door de stad bewegen? Wat vraagt dat van onze ontwerpprincipes, onze technologie én onze ethiek?