Altijd verbonden en altijd online - stad met zenuwen

Gepubliceerd op 10 mei 2026 om 12:34

Vorige week zat ik op een terras in de binnenstad. Zonnig, druk, gezellig. En terwijl ik rondkeek, zag ik het: bijna iedereen had een telefoon in de hand of op tafel. Niet omdat ze verveeld waren, maar omdat het een gewoonte is geworden. De telefoon is er altijd bij, zoals vroeger de sigaret dat was. Iets om vast te houden terwijl je nadenkt. Dat beeld bleef hangen. Want wat zegt het eigenlijk over de stad? Over hoe we de ruimte om ons heen gebruiken en beleven?

Ik denk dat de smartphone niet alleen een handig apparaat is, maar iets wat de stad zelf heeft veranderd en dat nog steeds doet. En dat gaat verder dan "mensen kijken te veel op hun telefoon." Het gaat over hoe informatie, beweging en ontmoeting anders werken dan twintig jaar geleden.

De stad heeft er een laag bij

Steden hebben altijd lagen gehad. Stenen en straten, water en spoorlijnen, wetten en gewoontes. Maar ergens rond 2013 — toen 4G breed uitrolde — kwam er een laag bij die je niet ziet maar wel voelt. Een digitale infrastructuur die in real-time meebeweegt met de stad: waar files staan, welke kroeg vol is, wat het goedkoopste is, wie er in de buurt is.

Het is een soort zenuwstelsel. Signalen gaan heen en weer tussen mensen, plekken en systemen. En dat zenuwstelsel wordt steeds verfijnder. Nu via smartphones, straks via brillen en andere wearables: technologie nog dichter op ons lichaam brengen, of er eigenlijk in oplossen.

Dat breng bij tot de stadsfilosofosche vraag: Als informatie overal is... wat maakt een fysieke plek dan nog bijzonder?

Druk terras in de stad waar smartphones inmiddels een essentieel onderdeel zijn van ontmoeting en stedelijk leven

Niet meer wáár je bent, maar of je verbonden bent

De klassieke stad draaide vele eeuwen om fysieke nabijheid. Je woonde bij je werk, je boodschappen deed je om de hoek, je sociale leven speelde zich af in een straal van een paar kilometer. Locatie was bijna je lot.

Dat is verschoven. In de vorige eeuw vooral door andere vervoersmiddelen. Deze eeuw is dat vooral door mobiel internet en smartphones. Niet locatie, maar toegang is wat telt. Je kunt overal wonen en toch volop meedoen, zolang je maar goed verbonden bent.

De socioloog Manuel Castells — hij onderzoekt hoe netwerken de samenleving organiseren — noemde dit de "netwerksamenleving": verbindingen worden belangrijker dan plekken.

Maar hier zit iets bijzonders. Je zou denken dat locatie daardoor minder belangrijk wordt. En voor veel dingen klopt dat. Maar de plekken die het overleven — die zelfs drukker worden — zijn juist de plekken die iets bieden wat je niet kunt streamen. Beleving. Sfeer. De toevallige ontmoeting. Binnensteden die werken als binnensteden, niet als winkelcentra.

Stadsplein waar ontmoeting en smartphonegebruik samenkomen: toegang en beleving in de moderne stad

Samen én apart aanwezig

Terug naar dat terras. Mensen zijn er samen... en tegelijk ergens anders. Niet omdat ze hun gezelschap onverschillig zijn. Maar omdat de telefoon iets heel menselijks versterkt: we kiezen zelf wanneer we contact willen. We zijn bereikbaar, maar niet verplicht aanwezig.

Het terugtrekken is overigens niet iets nieuws: in de vorige eeuw deden we dat maar al te graag vanachter onze krant of magazine. En in alle tijden zullen mensen hier wel een vorm voor hebben gevonden. 

Jane Jacobs, een Amerikaanse schrijfster en activist die in de jaren zestig het stadsleven verdedigde tegen de bulldozer, liet zien dat steden leven van toevallige interactie. Niet de geplande ontmoeting, maar de onverwachte.

Die toevalligheid staat onder druk. Niet omdat mensen slechter zijn geworden, maar omdat technologie hen de mogelijkheid geeft om te filteren. Het plein is er nog. Maar de kans dat je er iemand tegenkomt die je leven verandert, wordt kleiner als iedereen al in gesprek is met iemand die er niet bij is.

Voor mij is dat een fundamentele vraag voor het inrichten van stedelijke ruimte: Wat blijft er over van de publieke ruimte als ontmoeting iets is wat je kiest, in plaats van iets wat je overkomt?

Van krant tot smartphone: mensen samen in de stad, maar tegelijk in hun eigen wereld... iets van alle tijden?

De auto wordt een dienst

Dat altijd verbonden zijn, is niet alleen voorbehouden aan mensen. Steeds meer zaken zijn altijd online: de zelfrijzende auto is daarvan een goed voorbeeld. Nederland is het eerste land in Europa dat zelfrijdende auto's op de openbare weg toelaat.

Dat klinkt futuristisch, maar het is eigenlijk de volgende stap in iets dat al langer gaande is. Er wordt al lang over gesproken, maar is dit het kantelpunt dat de auto echt verandert "van bezit naar dienst"?

Je hebt de auto minder nodig als eigendom als je hem altijd kunt bestellen. En als auto's ook nog autonoom rijden, ontstaat er iets tussen privévervoer en openbaar vervoer in: individueel, maar collectief georganiseerd.

De verwachting is dat dit de stad ontlast: minder parkeerdruk, efficiënter gebruik. Maar er is ook een keerzijde. Als rijden makkelijker en goedkoper wordt, rijden mensen meer. Meer lege ritten, meer kilometers. De stad die hoopte op rust krijgt misschien juist meer beweging.

Voor mij schuilt hierin een stadsfilosofische vraag: Wordt de auto collectiever of wordt het openbaar vervoer gewoon individueler? Ik ben heel benieuwd wat dit gaat betekenen voor steden.

Zelfrijdende auto in de stad: van bezit naar dienst, met minder stilstand maar mogelijk meer beweging en verkeer

Technologie als vergrootglas

Als ik al deze dingen bij elkaar leg, zie ik een patroon. Technologie doet niet iets heel nieuws met de stad. Ze versterkt wat er al was. De stad was altijd al een systeem van stromen: mensen, goederen, ideeën, geld. Technologie maakt die stromen sneller, zichtbaarder en stuurbaarder.

Shoshana Zuboff — een Amerikaanse onderzoekster die schrijft over digitale macht — laat zien dat sturing ook een prijs heeft: wie de data bezit, heeft invloed op gedrag. Niet altijd zichtbaar, maar wel aanwezig.

Met 6G in aantocht wordt dat alleen maar intensiever. Nóg snellere verbindingen, directe koppeling met AI, technologie die om je heen zit in plaats van in je zak... De vraag is niet of dat gaat gebeuren. De vraag is wat we dan willen behouden of juist willen versterken vanuit ons als mensen.

Want als technologie een vergrootglas is, vergroot het ook ongelijkheid. Schaarste. Drukte. De dingen die we liever niet zien. Maakt technologie de stad beter of alleen maar intenser?

Ik weet het eerlijk gezegd niet. Maar ik vind het de moeite waard om er met een kop koffie bij stil te staan. Liefst op een terras. Met de telefoon even in de tas...


Moment van rust in de stad: technologie altijd aanwezig, maar de keuze om los te koppelen blijft bij de mens