Bouw voor wie we zijn, niet voor wie we dachten te zijn

Gepubliceerd op 7 juni 2026 om 12:34

Rij door een willekeurige uitbreidingswijk. Het maakt niet uit welke, je ziet vrijwel overal buiten de vier grote steden van Nederland hetzelfde. Rij na rij rijtjeswoningen, twee-onder-een-kappers, af en toe een vrijstaand huis. Een schommel of trampoline in de tuin, drie slaapkamers en een oprit en soms een garage voor de tweede of derde auto (of opslag van al onze spullen).

Het zijn mooie wijken, rustig, groen en goed onderhouden. Maar ze vertellen ook een verhaal over voor wie we vooral bouwen. Want ergens in de jaren zeventig is de Nederlandse wijk gebouwd rondom één aanname: het ideale gezin. Vader, moeder, kinderen en een auto voor de deur. Dat was de norm. Alles wat daarvan afweek, was de uitzondering.

Die aanname zit sindsdien in elke uitbreidingswijk ingebakken. Gemeenten schreven bestemmingsplannen voor deze grondgebonden woningen. Ontwikkelaars bouwden decennium na decennium wat ze altijd hebben gebouwd. Ondertussen is de samenleving ingrijpend veranderd.

Huishoudensgrootte als andere bril voor woonbeleid

De cijfers liegen niet

40 procent van alle huishoudens in Nederland bestaat vandaag uit één persoon. 32 procent uit twee personen. Samen is dat 72 procent van alle huishoudens, bijna drie op de vier. Gezinnen met kinderen? Goed voor minder dan een kwart.

Dat zijn geen marginale verschuivingen. Dit is de werkelijke samenstelling van Nederland in 2025, vastgelegd door het CBS in de Huishoudensprognose 2024-2070. En het gaat verder: de samenleving verandert. Van alle nieuwe huishoudens die er tot 2035 bijkomen, bestaat maar liefst 72 procent uit één persoon. Mensen wonen langer alleen na een scheiding, stellen samenwonen uit, of leven na het verlies van een partner nog tientallen jaren zelfstandig verder.

Tegelijkertijd bestaat 64 procent van de woningvoorraad nog steeds uit eengezinswoningen. Gebouwd voor het kerngezin van 1975... dat in 2025 nog maar een kleine minderheid vormt van wie er werkelijk woont. Dat is inmiddels een structurele mismatch tussen wie we zijn en wat we hebben gebouwd.

En dan de betaalbaarheid. Wie als alleenstaande of jong stel een woning zoekt buiten de sociale huur, komt al snel uit in de middenhuur. Dat segment begint tegenwoordig boven de 900 euro per maand en loopt op tot ruim 1.180 euro, zo staat vastgelegd in de Wet betaalbare huur. Voor iemand met een modaal inkomen betekent dat al snel meer dan een derde van het netto besteedbaar inkomen aan woonlasten. De grondwet zegt in artikel 22 lid 2 dat de overheid zorg draagt voor voldoende woongelegenheid voor iedereen. Maar "iedereen" bleek in de praktijk, decennium na decennium, vooral het kerngezin te betekenen.

We bouwden voor het gezin van gisteren. Maar Nederland woont inmiddels heel anders

 

(klik op de afbeeldingen om te vergroten)

Doelgroepen als denkfout

Die mismatch is geen toeval. Ze is het gevolg van een denkfout die diep in ons woonbeleid zit: de aanname dat het gezin de norm is, en iedereen die er niet in past een "doelgroep" die speciale aandacht verdient.

Kijk maar naar de taal. Woonvisies spreken over starters en senioren als aparte categorieën, met een eigen paragraaf en soms een apart complex aan de rand van de wijk. Goedbedoeld... maar het vertrekpunt klopt niet. Het suggereert dat het gezin de vanzelfsprekende bewoner is, en dat de rest erbij mag als er ruimte is.

In mijn eigen provincie Overijssel zie je dat patroon in vrijwel elke naoorlogse uitbreidingswijk, in elke gemeente tot aan de huidige nieuwbouw toe. En buiten de vier grote steden geldt hetzelfde: Apeldoorn, Emmen, Venlo. De uitbreidingswijken van de afgelopen decennia zijn opgebouwd uit grondgebonden eengezinswoningen, met hier en daar een bescheiden appartementencomplex voor wie er "niet in past."

Voor een alleenstaande van 30 of een stel van 60 zonder kinderen is er nauwelijks een betaalbare plek in de eigen buurt. Niet omdat ze niet willen blijven... maar omdat het aanbod er simpelweg niet is.

Het gezin is geen doelgroep - het is de norm waarop we nog steeds onze wijken ontwerpen

Levensloopbestendige wijken

Een nieuwbouwwijk waar alleen grondgebonden eengezinswoningen zijn gepland, zal voor minder dan een kwart van de huishoudens geschikt zijn. De rest moet maar zien.

Dat klinkt hard. Maar het is wat er feitelijk gebeurt in vrijwel elk nieuwbouwprogramma buiten de grote steden. De kavels worden uitgegeven, de rijtjes verschijnen, en ergens aan het einde van het programma staat een klein blokje appartementen als sluitpost. Alsof kleinere huishoudens een afterthought zijn, geen volwaardig onderdeel van de wijk.

Wonen gaat niet alleen over vierkante meters en huurprijzen. Het gaat over plek. Over de buurt waar je bent opgegroeid, de buren die je kent, de voorzieningen die je vertrouwd zijn. Mensen willen niet alleen een dak boven hun hoofd... ze willen ergens thuis zijn. En dat thuis wordt structureel onmogelijk gemaakt voor iedereen die niet in een kerngezin past.

Elke nieuwe uitbreidingswijk zou daarom van meet af aan als basisprincipe een gemengd programma moeten hebben. Kleinere woningen naast grondgebonden huizen, betaalbaar voor één of twee personen, goed ontworpen en volwaardig onderdeel van de wijk. Een wijk waar je kunt starten, kunt blijven en oud kunt worden... zonder te hoeven vertrekken.

Een goede wijk biedt niet één woningtype, maar een plek voor een heel leven

Bouwen voor iedereen, niet voor de uitzondering

De opdeling in "starters" en "senioren" klinkt sociaal en zorgzaam. Maar het is volgens mij een denkfout die zichzelf in stand houdt.

Want wie zijn die starters en senioren eigenlijk? Grotendeels 1- en 2-persoonshuishoudens. De doelgroepbenadering maskeert wat er werkelijk nodig is: gewone, goed ontworpen woningen voor huishoudens van één of twee personen, in alle leeftijden en levensfasen. Door ze als aparte doelgroep te benoemen, maak je ze tot uitzondering... terwijl ze samen de meerderheid vormen.

Het leidt ook tot gesegregeerde nieuwbouw. Een seniorencomplex hier, een startersblok daar, en daartussen de gewone wijk vol eengezinswoningen. Alsof wonen in verschillende levensfasen iets is dat je apart organiseert, in plaats van gewoon naast elkaar.

Daarbij komt nog iets dat zelden wordt benoemd: een goed ontworpen kleinere woning is voor een 25-jarige net zo geschikt als voor een 70-jarige. Levensloopgeschikte woningen zijn per definitie ook starterswoningen, flexwoningen, terugvalwoningen na een scheiding. Er is ooit gepleit om alle nieuwbouw standaard levensloopgeschikt te maken. Als dat was doorgezet, hadden we nu een voorraad die voor iedereen werkt... in plaats van een voorraad die steeds opnieuw moet worden aangepast aan wie er toevallig in woont.

Een goed ontworpen woning past bij verschillende levensfasen. Starters, alleenstaanden, gezinnen en ouderen kunnen dezelfde woning gebruiken

 

(klik op de afbeeldingen om te vergroten)

Van doelgroep naar huishoudensomvang

De oplossing is volgens mij minder ingewikkeld dan ze lijkt. Stop met bouwen voor doelgroepen, bouw voor huishoudens en veranker dit in beleid en gebiedsontwikkeling.

Dat betekent concreet: in elke nieuwe uitbreidingswijk structureel ruimte voor kleinere woningen naast de eengezinswoningen. Betaalbaar, goed ontworpen, levensloopgeschikt als standaard en niet als seniorenproduct. En toets nieuwbouwprogramma's niet alleen op prijs, maar ook op huishoudensomvang: klopt het aandeel 1- en 2-persoonswoningen met wie er over tien jaar in die wijk woont?

Hetzelfde geldt voor bestaande wijken. Ook daar moet de opgave niet zijn: waar plaatsen we het seniorencomplex? Maar: hoe zorgen we dat mensen in hun eigen buurt kleiner kunnen wonen als ze dat willen? Want woonbeleid onderschat structureel de rol van doorstroming. Een 68-jarige die een goed alternatief vindt in zijn eigen wijk, laat een eengezinswoning achter voor een gezin. Dat gezin laat iets achter voor een starter. Eén goede stap zet een hele keten in beweging.

Het gaat uiteindelijk om een eenvoudige verschuiving in hoe we kijken. Van 'voor welke doelgroep bouwen we een uitzondering?' naar 'voor welk huishouden bouwen we gewoon een thuis?' Anders bouwen we voor een samenleving die er niet meer is. Het is tijd om te bouwen voor de samenleving die er - nu en in de toekomst - wel is.


Woonbeleid kan beter aansluiten op huishoudensomvang dan op doelgroepen. Dat vergroot doorstroming en maakt wijken toekomstbestendiger