Bekabeld, maar niet verbonden

Gepubliceerd op 28 juni 2026 om 12:34

Verbazing

Ik heb al meer dan tien jaar glasvezel. Eerst in Amsterdam, nu ook in Zwolle. Voor mij vanzelfsprekend, bijna onzichtbaar geworden. Zoals stromend water of elektriciteit: ik denk er vrijwel niet meer over na.

Tot ik vorige maand een bericht zag. In Zwolle gebruikt slechts 44% van de huishoudens een actieve glasvezelverbinding. Landelijk is dat 38%. Ik dacht eerlijk gezegd dat we al lang op 90% zaten... maar dat is dus een misvatting.

Glasvezelkaart van Nederland

Wie de kaart van Nederland erbij pakt, ziet een opvallend patroon. Flevoland, Overijssel en delen van Gelderland scoren relatief goed, maar zelfs daar zit je grotendeels tussen de 40 en 60%. Donkerpaars, de 70-80% bandbreedte, zie je maar op een handvol plekken in het land.

De kabel ligt er vaak al. De echte vraag is: waarom gebruiken we hem nog niet?

En het verwachte patroon, stad doet het beter dan platteland, klopt niet zonder meer. Amsterdam scoort vermoedelijk niet hoog. Flevoland juist wel. Dat zegt iets. Nieuwbouwwijken zijn vaak beter bekabeld dan oude stedelijke gebieden waar het netwerk later, trager en gefragmenteerder is aangelegd. De stad die altijd voorop loopt, loopt hier mogelijk achter.

Binnen Overijssel zijn de verschillen groot. Kampen 22%, Steenwijkerland 29%, Zwartewaterland 31%, Zwolle 44%. Dat zijn geen kleine nuances. Dat zijn fundamenteel verschillende startposities voor de digitale toekomst.

En het gaat niet alleen om het netwerk dat er ligt. Het gaat om wie het activeert. Want in veel gevallen is de kabel er al... maar niemand doet er iets mee.

De sociale potentie van glasvezel

Nu missen mensen die niet zijn aangesloten misschien nog niet zoveel. Je kunt prima internetten via koper of 4G. Series kijken, mailen, werken. Het voelt goed genoeg.

Maar de wereld verandert sneller dan adoptiegedrag. Thuiswerken is geen tijdelijk fenomeen meer. Onderwijs op afstand, zorg op afstand, energiebeheer via slimme systemen, het zijn geen toekomstscenario's meer. Het is de richting waar steden, wijken en dorpskernen naartoe bewegen.

Glasvezel is daarin de basisvoorwaarde. En wie nu niet aansluit, bouwt ongemerkt een achterstand op. Niet spectaculair, niet direct zichtbaar in de straat... maar wel reëel.

De infrastructuur democratiseert: het netwerk is toegankelijk voor zowel arm als rijk, van de grachtengordel tot Kampen. Maar het wel of niet gebruik ervan versterkt ongelijkheid. Dit is precies het soort ongelijkheid dat pas opvalt wanneer het al te laat is.

De kabel ligt voor iedereen. De kansen groeien vooral voor wie hem gebruikt

Waarom hebben we het hier niet meer over?

Misschien is mijn verbazing overtrokken. Misschien pakt iedereen het vanzelf op, en lost het zich op in de komende jaren naarmate het gebruik langzaam stijgt.

Maar ik vraag me af of we dat mogen aannemen. Digitale ongelijkheid staat wel op de agenda, maar dan meestal in de vorm van apparaten, vaardigheden of toegang. Niet in de vorm van: het netwerk ligt er, maar een groot deel van de stad benut het niet.

Dat is een stille kloof... geen spectaculaire tweedeling, maar een sluipende. En juist dat maakt het lastig om er iets van te vinden, laat staan er iets aan te doen.

Dus: moeten we hier meer over praten? In gemeenteraden, in wijkgesprekken, in het discours over de digitale stad? Ik denk van wel. Want een stad die investeert in infrastructuur en vervolgens niet vraagt wie die infrastructuur eigenlijk gebruikt... mist iets wezenlijks.


Niet iedereen gebruikt glasvezel als basisinfrastructuur, met groeiende verschillen als gevolg