We zijn er goed in: een problemen oplossen en het meteen op een voetstuk plaatsen. Dit is dé oplossing! Maar wat als het probleem over tien jaar anders heet, of zelfs verdwenen is? Dan staat er 'een monument' voor iets wat we niet meer nodig hebben... en weten we niet hoe we het weer kunnen aanpassen.
Dat is niet zomaar een metafoor. Het is hoe we in Nederland ruimtelijke ordening bedrijven. We plannen voor eindbeelden. We ontwerpen voor zekerheid. Terwijl de wereld om ons heen sneller verandert dan onze bestemmingsplannen bijhouden. Zoals ik eerder schreef over technologie, steden en tijdelijkheid: het tempo van verandering en het tempo van de stad lopen structureel uit de pas. En toch blijven we bouwen alsof de opgave van nu de opgave van morgen is.
De reflex van het permanente
Ruimtelijke ordening heeft een diepgeworteld vertrouwen in het definitieve antwoord. Bestemmingsplannen, infrastructuurbesluiten, warmtenetten, parkeergarages: alles wordt ontworpen als eindstation. Dat geeft houvast. Het geeft bestuurders iets om te laten zien, bewoners iets om op te rekenen, en aannemers iets om te bouwen.
Maar het is een illusie van controle. We plannen permanente structuren in een wereld die niet meer stabiel is. De opgaven verschuiven, de technologie ontwikkelt door, de vraag van mensen verandert. En de infrastructuur wordt doorlopend aangelegd... onwijzigbaar, kostbaar en soms al verouderd voor de opening.
De vraag is niet of we moeten plannen. De vraag is of we moeten stoppen met plannen alsof de toekomst stilstaat.
Energie: het warmtenet als monument van onzekerheid
Bijvoorbeeld de energietransitie: we graven wijken open voor warmtenetten terwijl de technologie nog volop in beweging is. Gemeenten investeren massaal in collectieve warmte-infrastructuur, gestuurd door het klimaatakkoord en de wens om van het aardgas af te komen. Dat is op zicht begrijpelijk, maar de vraag welke technologie over tien of twintig jaar dominant is, is nog lang niet beantwoord.
Warmtepompen, geothermie, restwarmte van datacenters, waterstof: ze worden allemaal gelijktijdig ontwikkeld en gesubsidieerd, zonder dat duidelijk is welke richting wint. De Algemene Rekenkamer constateerde al dat er een directe spanning bestaat tussen gesubsidieerde warmtepompen en geplande warmtenetten in dezelfde wijken. Te veel warmtepompen in een wijk maken een warmtenet onrendabel. Beide trajecten lopen gewoon door.
Dat wil niet zeggen dat het beleid direct incoherent is, maar wel het eerlijke gevolg van onzekerheid. We reageren - bijzonder genoeg - op die onzekerheid met permanente ondergrondse infrastructuur die voor dertig jaar vastzit. Experts waarschuwen dat grotere warmtenetten eigenlijk al een gepasseerde technologie zijn, en dat de winst zit in kleinschaliger, koelere netten die je makkelijker kunt aanpassen. Begin klein en houd het koel, letterlijk.
Het warmtenet hoeft niet als een monument op een voetstuk te staan. Kan het niet ook dienen als een tussenstation?
Mobiliteit: spoorlijnen voor een auto-tijdperk dat voorbijgaat
Of de mobiliteitstransitie: terwijl het kabinet miljarden reserveert voor nieuwe treinrails, rijdt in Rotterdam al een zelfrijdende bus. De NederSaksenlijn krijgt 1,9 miljard euro en een startbesluit (oktober 2025), met als doel dat er in 2035 treinen rijden tussen Groningen en Twente. De Lelylijn staat ondertussen geparkeerd, het gereserveerde budget deels verschoven. Politiek ingewikkeld, financieel onzeker, tijdspad: minimaal tien jaar.
Maar intussen: Rotterdam testte in de zomer van 2025 de eerste volledig zelfrijdende bus op de openbare weg. De provincies Groningen, Fryslân en Drenthe zien zelfrijdend vervoer als concrete strategie om bereikbaarheid en leefbaarheid in dunbevolkte gebieden te behouden. Niet als verre toekomstdroom, maar als lopend programma.
Dat roept een scherpe vraag op voor Oost-Nederland, voor Nederstad: is een vaste treinrail van Groningen naar Twente het juiste antwoord op de mobiliteitsvraag van 2035? Of investeren we in het ontbrekende stuk infrastructuur voor een systeem dat dan allang flexibeler, goedkoper en minder railgebonden is? Autonoom OV kan méér kernen bedienen, dynamisch rijden op vraag, en aanpassen aan veranderende stromen. Ook hier: kunnen we niet beter meebewegen in plaats van dure permanente oplossingen in een dynamisch sector?
De discussie over Lelylijn en NederSaksenlijn is volkomen terecht voor een goede bereikbaarheid in Oost-Nederland. Maar misschien stellen we de verkeerde vraag. Niet: welke rails leggen we? Maar: hoe organiseren we bereikbaarheid voor een regio die er over tien jaar anders uitziet?
Wonen: een korte noot over dezelfde reflex
De wooncrisis vraagt om honderdduizenden woningen, en onze reflex is grotendeels: permanente nieuwbouw op permanente locaties met permanente bestemmingen. Flexwoningen worden ingezet als noodgreep, maar ontworpen met de bureaucratie van een definitieve oplossing: lange procedures, vaste plekken, weinig aanpasbaarheid.
Terwijl de vraag naar wonen ook verschuift. Huishoudens worden kleiner, woonwensen diverser, de relatie tussen wonen en werken losser. Een woning die je nu bouwt voor de vraag van nu, kan over vijftien jaar niet meer passen. Over de wooncrisis als permanent-oplossing-probleem schrijf ik binnenkort meer.
Reversibel en modulair: ontwerpen voor het onbekende
De tegenhanger van permanent is niet direct "een tijdelijke oplossing". Het gaat om iets veel specifieker: het ontwerpen van reversibele en modulaire structuren. Bewust ontwerpen met de gedachte dat een gebouw, een wijk of een infrastructuurnetwerk over tien jaar misschien anders moet functioneren...
Reversibel ontwerpen betekent dat je keuzes maakt die je later kunt terugdraaien of aanpassen. Geen onomkeerbare ondergrondse buizen als het ook anders kan. Geen vastgezette bestemmingen als er ook een open kader mogelijk is.
Modulair ontwerpen gaat een stap verder: je bouwt in eenheden die je kunt aanpassen, uitbreiden, verplaatsen of vervangen zonder de rest te slopen. In Heerhugowaard staan 56 circulaire woningen die modulair en verplaatsbaar zijn gebouwd, klaar in een jaar. Design for Disassembly is daarbinnen een concreet principe: niet ontwerpen als eindpunt, maar als tijdelijke configuratie van waardevolle onderdelen.
Dat vraagt iets van hoe we ruimtelijke ordening denken. Minder denken in eindbeelden en juist meer in fasering, tijdelijkheid en meerdere scenario's. Minder 'zekerheid als doel', meer aanpasbaarheid als waarde. Het is wennen, voor bestuurders en voor bewoners. Want een modulaire wijk ziet er minder uit als een monument op een voetstuk... En misschien is dat precies het punt.
Wat denk jij: kan tijdelijkheid een goed ontwerpprincipe zijn, of is het toch altijd een voorbehoud?
Boeiende blog? Lees dan ook >>
- Bouw voor wie we zijn, niet voor wie we dachten te zijn
- Van kleitablet tot algoritme: hoe informatie de stad vormt
- Michi-no-eki... Oude wijn in nieuwe zakken?
- Van winkelketen naar stedelijk systeem
- Stad in beweging: steden als netwerk van nieuwe bewoners
- Sneller dan we aankunnen - over technologie, steden en tijdelijkheid