De stad is ontworpen door mensen zoals ik...
Drie procent van Nederland heeft ze allemaal. Een witte huid, man, een hetero geaardheid, minstens één ouder met geld of status en in Nederland geboren, een vwo-diploma, een universitaire graad. Journalist Joris Luyendijk noemt het de zeven vinkjes... een select gezelschap dat al decennia bepaalt wat normaal is, simpelweg omdat zij nooit hoeven aan te passen. Iedereen past zich aan hen aan.
Luyendijk schreef erover in de bestuurskamer. Maar diezelfde logica vind je terug op straat. Steden worden ontworpen vanuit referentiekaders. Wie ontwerpt onze pleinen, parken en trottoirs, en voor wie?
Wie zit er aan de tekentafel
Op de PlanDag van mei 2025, het tweedaagse congres van de Beroepsvereniging van Nederlandse Stedenbouwkundigen en Planologen en de Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning, stond het overbruggen van scheidslijnen in de leefomgeving centraal. Een mooi streven. Toch viel Rooilijn iets anders op: bij het plenaire ochtendprogramma bestond het sprekerspanel overwegend uit witte mannen van middelbare leeftijd.
Rooilijn trekt daaruit een harde conclusie: kennisproductie in het ruimtelijk domein is momenteel een wit en veelal mannelijk privilege. En een opvallend detail erbij, zelfs het diversiteitsdebat binnen de sector verwijst amper naar afkomst en etniciteit. Met andere woorden, ook de manier waarop we over uitsluiting praten wordt gefilterd door wie er aan het woord is.
De vraag die de auteurs stellen is precies de vraag die voor mij bij dit hele onderwerp blijf hangen: hoe overtuigend zijn de inspanningen van experts die niet representatief zijn voor de bevolking die ze willen bedienen?
De straat is geen neutraal terrein
Neem als voorbeeld de veiligheidsbeleving van vrouwen. Onderzoekers van Hogeschool Inholland, de Erasmus Universiteit en TU Delft onderzochten in Rotterdam-Zuid wat jonge vrouwen nodig hebben om zich veilig te voelen in de buitenruimte. Hun conclusie was hard: jonge vrouwen voelen zich twee keer zo vaak onveilig op straat als jonge mannen van dezelfde leeftijd.
Interessant is vooral de verklaring die ze geven. Het probleem zit niet in te weinig camera's of te weinig politie. Sterker nog, dat soort klassieke veiligheidsmaatregelen kan onveiligheidsgevoelens juist versterken, omdat het signaleert dat er kennelijk iets te vrezen is. Wat wel helpt is informeel toezicht van een gevarieerd publiek, en de aanwezigheid van mensen zoals parkbeheerders en servicemedewerkers.
De onderzoekers trekken een conclusie die - wat mij betreft - de spijker op zijn kop slaat: ontwerpers denken dat ze neutraal en inclusief ontwerpen, maar sluiten daarbij onbewust aan op mannelijke behoeften. Ze zeggen het zelfs nog directer. De behoeften van jongens en jonge mannen worden als norm genomen.
Dat is precies het mechanisme van de zeven vinkjes, verplaatst naar het ontwerp van een plein. Niet uit boosaardigheid, niet uit een bewust besluit om vrouwen buiten te sluiten... maar omdat de ontwerper zijn eigen ervaring van de wereld voor universeel aanziet. Er komen steeds meer oproepen om hier anders mee om te gaan, zoals vanuit de VNG.
En de vakman dan? De ploegendienstwerker?
Bij deze vraag speelt de 'hoogopgeleidheid' mee... ook een van de kenmerken van de 7 vinkjes. Is onze openbare ruimte ingericht op de kenniswerker die 's ochtends om negen uur op de fiets naar zijn kantoorbaan stapt? Of houden we ook rekening met de vakman met zijn busje vol gereedschap, de verpleegkundige die om vijf uur 's ochtends naar haar dienst fietst, iemand zonder vast dagritme?
Denk aan praktische dingen. Waar kan een bedrijfsbusje laden en lossen zonder boete? Waar is overdag een plek om te zitten voor iemand die 's nachts werkt en juist dan slaapt? De openbare ruimte lijkt soms ontworpen voor het ritme van kantoorbanen, en minder voor het ritme van praktisch werk.
Ik weet het niet zeker, en ik wil het ook niet als feit verkopen... het is meer een vraag die ik niet meer kan loslaten sinds ik over de zeven vinkjes las. Zo kan je alle 7 vinkjes bij langslopen en je vragen stellen bij de inrichting van onze steden.
Geen schuldvraag, wel een ontwerpvraag
Dit stuk is geen aanklacht tegen stedenbouwkundigen of planologen. Het is ook geen pleidooi om iedereen schuldig te verklaren aan zijn eigen achtergrond. Het is een uitnodiging om een vraag standaard te stellen bij elk ontwerp van een straat, plein of park: voor wie is dit eigenlijk niet gemaakt?
Wie loopt hier straks rond en voelt zich net niet thuis? Wie past zich aan, zonder dat we het ooit hardop benoemen?