De terugkerende droom van de maakbare stad

Gepubliceerd op 18 oktober 2026 om 12:34

Een vestingstad die tot op de gracht symmetrisch is getekend... een maquette waarin woontorens als bomen uit een groen tapijt oprijzen...
En een gloeiende nachtopname aan de voet van de Fuji met zonnepanelen als daken en nauwelijks een mens te zien...

Drie beelden, ruim vier eeuwen uit elkaar, die toch hetzelfde verhaal vertellen. Telkens weer tekent iemand de stad zoals hij zou moeten zijn.

Van ideale stad naar lerende stad

De ideale stad in steen

Dat verlangen is al behoorlijk oud. Simon Stevin, de ingenieur die Nederland zijn vestingstelsel gaf, werkte aan een traktaat over de ideale stad waarin de stad een rationeel bouwpakket werd. Hij werkte vanuit rechte straten, vaste plekken voor kerk, markt, stadhuis en gevangenis, alles herhaalbaar en overzichtelijk.

Zuidelijker in Europa tekende men dezelfde droom met passer en liniaal. Palmanova, eind zestiende eeuw aangelegd als een negenpuntige ster, en Sabbioneta, het "kleine Athene" van hertog Vespasiano Gonzaga, waren allebei bedoeld als de perfecte, verdedigbare, overzichtelijke stad.

Drie eeuwen later kreeg diezelfde ambitie een nieuwe vorm. Le Corbusier en de architecten van het CIAM, het internationale congres voor moderne architectuur, verwierpen de dichte, rommelige negentiende-eeuwse stad. Zij steldener in het Charter van Athene een nieuw model tegenover: hoogbouw in het groen, functies strikt gescheiden, alles ontworpen vanaf de tekentafel voor het welzijn van de bewoner.

Nederland bouwde die belofte letterlijk na in de Bijlmer. Juist daar sloeg het idealisme om: de hoogbouw en de strikte scheiding van wonen, werken en verkeer die op papier bevrijdend waren, voelden voor veel bewoners al snel als afstand, anonimiteit en verval.

Drie ideale steden:
Simon Stevin – CIAM – Woven City

>> klik op afbeeldingen voor een grotere weergave

Machine of organisme?

Dat patroon is te opvallend om toeval te zijn. Telkens weer ontwerpt iemand, vanuit één punt, één blik, voor iedereen tegelijk. En telkens weer blijkt diezelfde blik van onderaf te voelen als controle.

Neem het panopticum, Jeremy Benthams achttiende-eeuwse gevangenisontwerp waarin één bewaker vanuit het midden alle cellen tegelijk kon zien. Bentham bedoelde het als humaan en efficiënt... Michel Foucault, bijna twee eeuwen later, maakte er het archetype van moderne disciplinering van, het beeld van een macht die je niet meer hoeft te slaan omdat je jezelf al in de gaten houdt.

De Deense stedenbouwkundige Jan Gehl ving een vergelijkbare tegenstelling in twee modellen: de stad als machine, met verkeersaders en auto's als schakels in een keten, tegenover de stad die leeft op het tempo van de voetganger, vijf kilometer per uur.

New York leverde in de jaren zestig het concrete gevecht tussen die twee modellen: Robert Moses, die snelwegen dwars door buurten liet aanleggen omdat de stad als geheel er efficiënter van werd, tegenover Jane Jacobs, die vanaf het trottoir liet zien dat straatleven zich niet laat plannen. Utopie en dystopie blijken dan hetzelfde ontwerp, gezien vanaf twee posities: die van de ontwerper, en die van de bewoner.

Dezelfde stad, een andere blik: van controle van bovenaf naar leven van onderop

Dezelfde droom, nu met data

Die beweging herhaalt zich nu in digitale vorm. In Zuid-Korea werd in 2003 Songdo volledig nieuw uit de grond gestampt als slimme stad. Het moest het bewijs worden dat sensoren en data een stad in één keer goed konden ontwerpen. Twintig jaar later wordt Songdo vaker genoemd als voorbeeld van een stad die zonder organisch gegroeid sociaal weefsel voor delen leegblijft, dan als het lichtend voorbeeld dat het moest zijn.

Sidewalk Labs, het smart-city-dochterbedrijf van Google, wilde iets vergelijkbaars in Toronto: een duurzame, datagedreven wijk aan het water. Het project sneuvelde in 2020 op precies de vraag die bij het panopticum al speelde: wie ziet mee, en wie beslist er over die data.

Toyota's Woven City, aan de voet van de Fuji, kiest voorzichtigere taal: een laboratorium met een paar honderd bewoners, in plaats van een voltooide ideale stad. Die bescheidenheid is zelf al veelzeggend over hoe hard de belofte van de maakbare stad de afgelopen twintig jaar is bijgesteld, ook door de mensen die haar bouwen. Dezelfde verschuiving van fysieke naar digitale sturing beschreef ik eerder in stad met zenuwen en stad in beweging.

Toch is het opvallend hoe vanzelfsprekend we bij die digitale laag meteen naar Big Brother en de Matrix grijpen, en veel minder snel naar de gedachte dat een stad ook gewoon beter kan worden. Hans Rosling liet in zijn boek Feitenkennis zien dat mensen structureel somberder oordelen over de wereld dan de feiten rechtvaardigen, simpelweg omdat een dreigend beeld beter beklijft en beter scoort dan een genuanceerd beeld. Dystopie is aandacht, aanhang en geld waard... een stad die op de meeste fronten schoner, veiliger en gezonder is dan honderd jaar geleden, 'verkoopt' een stuk minder goed.

Van Songdo tot Woven City: dezelfde droom van de maakbare stad, maar steeds voorzichtiger ontworpen

Bijsturen in plaats van bouwen

Wat aan zowel het utopische als het dystopische verhaal ontbreekt, is het lerend vermogen dat er tussenin zit. Nederland liet dat na de Bijlmer zelf zien. Elders in de polder, in Almere, werd bewust een andere afslag genomen: meer menging van functies, een organischer en minder van bovenaf opgelegd stramien, precies de correctie die Jacobs decennia eerder had bepleit. De stad wordt dus bijgestuurd, stap voor stap, door mensen die van de vorige ronde leren.

Filosofisch heeft die houding een naam: meliorisme, een term die George Eliot in de negentiende eeuw muntte en die William James later uitwerkte tot een filosofische positie tussen optimisme en pessimisme in. De wereld is niet vanzelf goed en niet vanzelf slecht, maar wordt door gericht handelen verbeterbaar. Geen blind vertrouwen in het volgende ideale ontwerp, geen verlamming door het volgende schrikbeeld.

De vraag die voor mij blijft, is of die correctie zich bij de vierde, digitale laag net zo laat maken als bij beton en asfalt. De Bijlmer kon - met moeite worden herbouwd... maar kan dat ook bij een algoritme, dat lijkt "makkelijk", maar is dat zo? Of zet de digitale infrastructuur zich net zo vast als steen?

Van beton naar algoritme: kan de digitale stad net zo blijven leren en bijsturen?

>> klik op afbeeldingen voor een grotere weergave