Waar het (te) druk is, is het minder goed toeven

Gepubliceerd op 2 augustus 2026 om 12:34

Dat klinkt als een open deur... maar het is precies wat het nieuwste brede-welvaartsonderzoek van Rabobank en Universiteit Utrecht laat zien. De brede welvaart in Nederland staat op het hoogste niveau sinds de eerste meting in 2003. Mensen zijn gelukkiger, tevredener, en verdienen meer. Maar niet overal evenveel.

De regio's die bovenaan het lijstje staan, Oost-Zuid-Holland, Zuidwest-Friesland en de Achterhoek, zijn niet de plekken waar je "succesvol Nederland" zou verwachten. Groot-Amsterdam en Groot-Rijnmond, de knooppunten van banen, geld en cultuur, bungelen juist onderaan.

Dat is de paradox waar deze blog om draait. En hij raakt precies aan wat ik eerder Nederstad heb genoemd: Nederland als één samenhangend stedelijk systeem, waarin plekken niet los van elkaar bestaan maar functioneren als onderdelen van een groter geheel.

Soms ligt de hoogste kwaliteit van leven
juist buiten de grootste drukte

(klik op afbeeldingen om te vergroten)

Succes dat zichzelf opeet

Waarom scoort nou juist de plek waar alles samenkomt het slechtst op brede welvaart? Het antwoord zit - denk ik - in de dimensie die de grootste regionale verschillen veroorzaakt: huisvesting. In Amsterdam, Den Haag en Rotterdam is de woontevredenheid het laagst van heel Nederland.

Niet toevallig zijn dit de regio's met de hoogste ruimtedruk. Meer banen trekken meer mensen, meer mensen vragen meer woonruimte, en die ruimte is er domweg niet. Het economische succes van de stad wordt zijn eigen last... de aantrekkingskracht van de stedelijke agglomeratie ondermijnt de leefbaarheid die haar aantrekkelijk maakte.

Op systeemniveau profiteert heel Nederstad van sterke steden: banen, innovatie, cultuur, verbindingen. Maar op het niveau van de individuele bewoner voelt dat succes anders. Iemand die in Amsterdam een klein, duur appartement huurt, merkt weinig van het feit dat "zijn" stad de motor is van de nationale welvaart. Dat is precies de kloof die ik eerder beschreef tussen hoe de stad zich presenteert en hoe ze wordt beleefd (link van maken)... de zender straalt welvaart uit, de ontvanger ervaart iets heel anders.

Waar Nederland het dichtst bebouwd is, is het niet vanzelfsprekend het prettigst wonen

Drie spelers om dezelfde vierkante meter

Om te snappen hoe dit ruimtelijk werkt, helpt een simpele driedeling.

Ruimtevragers zijn wonen en werken: de huishoudens die een huis zoeken, de bedrijven die een kantoor of bedrijventerrein nodig hebben. Zij winnen in de dichte regio's op de economische dimensies van brede welvaart, inkomen en baanzekerheid vooral. Maar diezelfde dichtheid drukt hun eigen dimensie huisvesting hard omlaag. De starter die ik eerder beschreef, vastgezet tussen een goed inkomen en een onbereikbare woningmarkt, is de belichaming van deze paradox.

Ruimtewijkers zijn natuur, water en landbouwgrond: de stille verliezer in dit verhaal, maar tegelijk de onzichtbare voorwaarde voor welvaart elders. Niet toevallig scoren juist de Achterhoek en Zuidwest-Friesland hoog op brede welvaart... daar is nog ruimte, rust en groen voorhanden waar de Randstad ze allang heeft opgesoupeerd. De natuur is, zoals ik eerder schreef, niet verdwenen maar verhuisd. In de dichte stad duikt ze op in geveltuintjes en wadi's, in de dunbevolkte regio nog gewoon in het landschap zelf.

Verbindende infrastructuur, wegen, spoor, maar ook kabels en leidingen ondergronds, is de speler die bepaalt wie van wie profiteert. Infrastructuur verplaatst niet alleen mensen, ze verplaatst ook welvaart. En ze claimt daarbij zelf ruimte die anders naar wonen of natuur had kunnen gaan.

Waar iedereen samenkomt, voelt zelfs een groot plein ineens klein

Wat infra verklaart aan het uit elkaar groeien

Het Rabo-onderzoek laat een intrigerend dubbel patroon zien. Sommige regio's lopen verder uit, Groot-Amsterdam, Groot-Rijnmond en Overig Groningen blijven achter bij de rest. Tegelijk maken andere regio's, zoals Oost-Groningen en de Zaanstreek, juist een inhaalslag.

Infrastructuur is een verklaring voor beide bewegingen tegelijk. De Zaanstreek profiteert zichtbaar van de nabijheid van Amsterdam: goede verbindingen maken het aantrekkelijk als overloopgebied, met verbeteringen in huisvesting, inkomen en baanzekerheid tot gevolg. Amsterdam zelf snijdt zich daarmee in de vingers... de eigen overloop bouwt de welvaart van de buurregio op, terwijl de stad zelf blijft zitten met de woningnood die de uittocht veroorzaakte.

Zoiets herhaalt zich in kleinere vorm bij digitale infrastructuur. Ik schreef eerder over hoe glasvezel zich ongelijk verspreidt over Nederland. Verbindende infra, fysiek of digitaal, is dus nooit neutraal. Ze kiest wie ze verbindt, en wie ze achterlaat.

Infrastructuur verbindt nooit alleen plaatsen.
Ze verbindt ook kansen

De rekening die je niet kunt herzien

Er zit nog een laag onder deze hele discussie, en die is misschien wel de belangrijkste.

Brede welvaart is een vloeiende maat. Ze steeg, daalde tijdens corona, en herstelde weer. Regio's kunnen dus, in theorie, terugveren. Maar de ruimtelijke ingrepen waarmee we die welvaart proberen te sturen, zijn dat vaak niet. Een polder die volgebouwd is, een snelweg die is aangelegd, een landbouwgebied dat is omgezet in bedrijventerrein... die keuzes zijn permanent, ook als het probleem waarvoor ze bedoeld waren allang is veranderd.

Nederstad optimaliseert dus een uitkomst die zelf reversibel is (welvaart gaat op en neer) met middelen die dat niet zijn (ruimtebeslag ligt vast). Dat is een ongemakkelijke asymmetrie. We vieren dat de brede welvaart op het hoogste niveau ooit staat, maar de ruimtelijke prijs die daarvoor is betaald, aan ruimtewijkers vooral, wordt in dat cijfer nergens zichtbaar.

Tussen stad en landschap ontstaat ruimte om prettig te leven

Een open vraag, geen oordeel...

Het brede-welvaartsonderzoek van Rabobank laat zien dat Nederland het gemiddeld genomen goed doet. Maar "gemiddeld" verhult een systeem waarin ruimtevragers, ruimtewijkers en infrastructuur voortdurend om dezelfde vierkante meter concurreren, en waarin winst op de ene plek bijna altijd samenhangt met verlies op een andere.

Dat is geen pleidooi om minder te bouwen, of steden te ontmoedigen. Wel een uitnodiging om de vraag scherper te stellen: als we brede welvaart als kompas gebruiken voor ruimtelijke keuzes, hoe wegen we dan mee wat onomkeerbaar is tegen wat weer kan veranderen? En wie beslist daarover, de ruimtevrager, de ruimtewijker, of degene die de verbinding aanlegt?


Elke ruimtelijke keuze opent nieuwe mogelijkheden, maar sluit ook andere af